– Wat bracht je hier?
– Je bedoelt in Dar es Salaam?
– Nee, in Afrika.
– O, dat. Nou, eh… ik denk toch het avontuur.

Hoe komt iemand in vredesnaam op het idee om zich in Afrika te vestigen? Afrika, het continent van droogte en ellende, armoede en hongersnood. Het continent waar iedereen in een lemen hutje woont en waar de leeuwen ’s nachts om de palissade sluipen. Het donkere continent. Het continent met de arme kindjes, aan wie we moeten denken als we onze groente niet lusten. Een kind onder de evenaar, is meestal slechts een bedelaar. Dat continent.

Gelukkig hadden mijn ouders en vooral grootouders mij blootgesteld aan andere ideeën over Afrika. Vaak vertelde mijn oma me dromerig over Stanley en Livingstone. Mr Livingstone, I presume? Dat was het moment in de geschiedenis dat ze het liefst had willen meemaken. Boven haar bed hing een foto van de Kilimanjaro, met een olifant op de voorgrond. Gemaakt door opa. In mijn ouderlijk huis was het al niet anders. Thuis werd geciteerd uit Out of Africa en aan een muur hing de staart van een gnoe. Toen ik dertien was, reisde mijn vader op een schip langs de kust van West-Afrika. Ik kon niet mee, ik was te jong, ik zat op school, ik maakte huiswerk.

Zonder dat ik er iets voor hoefde te doen, werd Afrika voor mij dus het continent van de ontdekkingsreizen en de eindeloze vlaktes. Om het woord ‘Afrika’ hing een zweem van avontuur en romantiek. Dit nam nog toe toen ik de originele Tarzanboeken van Edgar Rice Burroughs begon te lezen, waarin iedereen voortdurend achtervolgd wordt door woeste inboorlingen, bloeddorstige leeuwen en moordlustige blanken.

Op een gegeven moment belde Echtgenoot me op mijn werk. Ik zat in een kantoor in Rotterdam. Echtgenoot had een gesprek gehad met zijn nieuwe werkgever. Er was een project voor hem. In Afrika.
– Waar? ademde ik.
Echtgenoot liet een veelbetekenende stilte vallen.
– Wat dacht je van Zambia? klonk het door de telefoon.
Ik kon niet spreken. Ik zag de kopieertafel, de koffiehoek, de bakjes voor in- en uitgaande post. Ik zag de hermetisch afgesloten ruiten, de grijze lucht. Ik beefde zowat.
– Ja, bracht ik uit.
En zo is het begonnen.