In het ene land rijd je links.
In het andere land rijd je rechts.

In het ene land drink je kraanwater.
In het andere land mineraalwater.

In het ene land groeten voorbijgangers elkaar.
In het andere land groeten ze elkaar niet.

In het ene land kun je veilig fietsen en wandelen.
In het andere land word je overvallen als je wandelt.

In het ene land zijn zachte bermen waar mensen lopen.
In het andere land zijn lege stoepen.

In het ene land worden je voeten vies, al loop je de hele dag op hakken.
In het andere land blijven je voeten schoon, al loop je de hele dag op blote voeten.

In het ene land wonen je dierbaarste vrienden.
In het andere land wonen je nieuwe vrienden, die het best snappen hoe je leeft.

Het ene land is zacht.
Het andere 
land is hard.

Het ene land is hard.
Het andere land is zacht.