E-mail uit Big Bend, Swaziland
Hier was het vandaag ontzettend heet. Floep. De kinderen dragen alleen luiers en wij lopen halfnaakt door het huis. Floep. Soms komen we in de verleiding om de deur van de koelkast even open te laten staan om ons even te koesteren in de weldadig koude lucht. Floep. Dat doet me denken aan Zambia (floep), waar ik wel eens speelde met de gedachte om wat te gaan rijden, puur om even in de airco te kunnen zitten. Floep. Floep. Het is nogal een toestand hier want op elke floep slaat de hoofdschakelaar om.

Zo ging dat in Big Bend. De stroom fluctueerde zodanig dat de hoofdschakelaar om de haverklap uitfloepte. Ook viel de elektriciteit regelmatig uit. Als ik het in de verte hoorde donderen, had ik ongeveer drie minuten om de zaklamp op te zoeken en op een centrale plaats te leggen. Je raakt eraan gewend. De mens is een flexibel wezen.

Eens zaten we met een internationale groep ingenieurs te dineren in een van de twee eetgelegenheden van Big Bend. Plotseling viel het licht uit. Het was al donker buiten, er was geen straatverlichting, dus we zaten in volkomen duisternis. Tot mijn verrassing gingen alle gesprekken gewoon door. Niemand zuchtte, niemand lachte, niemand maakte een jolige opmerking, ook niet toen de stroom een paar minuten later terugkwam. Stroomuitval is hier de normaalste zaak van de wereld.

Toch kon de aldus opgedane flexibiliteit ons niet voorbereiden op wat ons te wachten stond in Tanzania. In 2006 kampte Tanzania met landelijke stroomstoringen. Eerst was er niet genoeg water voor de waterkrachtcentrales en hadden we maar twee dagen in de week elektriciteit. Toen ontplofte er een dieselgenerator in Dar es Salaam en hadden we nog maar één dag in de week elektriciteit. Om zeven uur ’s morgens ging ergens een hoofdschakelaar om en floepte alles uit, en om zeven uur ’s avonds zette iemand de hoofdschakelaar weer om en floepte alles weer aan. Heel Tanzania? Heel Tanzania. Je kunt van tevoren geen inschatting maken van het effect van dergelijke continue stroomstoringen. Maatschappelijk, financieel, sociaal en psychologisch. Eén dag zonder stroom is avontuur, zeven dagen zonder stroom is behelpen, zeven maanden zonder stroom is afzien.

Ook de stroomfluctuaties in Swaziland waren niets vergeleken met die van Tanzania. In Tanzania was het voltage soms zo laag dat het lamplicht te zwak was om bij te kunnen lezen. Soms was het juist te hoog: eens maten we 280 volt. Uiteraard heeft dit gevolgen. In 2007 blies onze schoonmaakster een strijkijzer en een stofzuiger op: ze was vergeten om ze aan te sluiten op een stroombeveiliger (surge protector). Vrienden van ons verloren een telefoon en een computer.

IJlings kochten we een paar extra stroombeveiligers: kastjes die je tussen het stopcontact en je apparatuur plaatst en die afslaan als het voltage te hoog of te laag wordt. In korte tijd ging de prijs van stroombeveiligers omhoog van 60 naar 100 dollar. Reken maar uit hoeveel stopcontacten je in huis hebt… Zelf hadden niet voor elk wandcontact een surge protector. De kinderen wisten: het is óf televisiekijken óf strijken.

Later kregen we een centrale stroombeveiliger, in de ‘meterkast’, zullen we maar zeggen; het onnavolgbaar draderige knoedeltje aan de buitenkant van ons huis. Met als gevolg dat echt alles uitging als het voltage te hoog of te laag werd. En zo waren we weer terug in Swaziland. Floep. Lichten uit. Floep. Lichten aan. Floep. Lichten uit. Floep. Lichten aan. Ik denk dan altijd aan het gezicht van Kwabbernoot. Wonen in Tanzania heeft een hoog Guust-Flatergehalte.

Ik moet hieraan toevoegen dat Tanzania niet representatief is voor Afrika. In Zambia hebben we nooit een stroomstoring gehad. Zelfs Nederland scoort slechter dan Zambia: in Rotterdam hadden we in 2002–2003 in zeven maanden meer stroomstoringen dan in Zambia in anderhalf jaar.