Als ‘verhuizen’ betekent ‘van hoofdverblijf wisselen’, dan ben ik in mijn leven meer dan veertig keer verhuisd. Het merendeel van die verhuizingen vond plaats tussen 2001 en 2006, toen wij in Afrika op korte contracten werkten. Dit had effect op mijn dromen – zowel de nachtelijke dromen als die van overdag.

Aan het eind van die periode van verhuizingen had ik eens een veelbetekenende droom. Ik stapte in een gedeelde taxi. De chauffeur vroeg me naar mijn bestemming. Ik wilde hem m’n huisadres geven, maar wist plotseling niet meer waar ik woonde. Gelukkig zaten er drie andere passagiers in de auto. Ik gebaarde dat de taxichauffeur eerst hun maar moest thuisbrengen, dan kon ik nog even nadenken over mijn adres. De taxi werd leger en leger. Koortsachtig liep ik in gedachten de huizen af waar ik recentelijk had gewoond, maar het wilde me maar niet te binnen schieten waar ik naartoe moest. Uiteindelijk stond de taxi stil, midden op een straat. Ik stapte uit. Het was een straat in mijn geboortedorp. De droom had mij toch thuisgebracht.

Het woontijdschrift als substituut

In die tijd van verhuizingen ben ik woontijdschriften gaan kopen. Het kwam voort uit de diepe behoefte om ergens op de wereld een eigen plekje te hebben. Soms knipte ik iets uit en plakte het in een boek.

Brunchen in de boomgaard

Maar een woonplakboek voldoet niet als substituut voor een eigen huis. Wat blijft, is de existentiële behoefte om ergens op de wereld een eigen plekje te hebben. Een huis dat je zelf kunt inrichten. Een huis dat voor altijd van jou is. Een huis om in Thuis te komen. Een klein huisje, met een haard en een ligbad en één ruime slaapkamer waar we met z’n allen in passen. Zo’n huis. Het ligt in een boomgaard. ’s Zomers kun je aan een lange tafel met vrienden en familie genieten van buitenbrunches. Het ligt ook aan het water, zegt Echtgenoot. En het is gebouwd volgens ecologische principes, besluit ik.

Nesteldrang

Ik denk vaak aan het huisje. Het is een soort nesteldrang, maar dan zonder zwanger. Nestdrang, dat is het. Ik ben huizenbroeds. En ik ben niet de enige. Een onderwerp dat regelmatig terugkomt in gesprekken onder expats, is in welk land je je uiteindelijk wilt vestigen. Wat is het permanente eindpunt? En ook: hoe ga je de vakantie doorbrengen? Logeren bij je ouders? Een camper huren en daarmee vrienden en familie afreizen? Een huisje huren in je thuisland? In Tanzania blijven? Of elders op vakantie: Italië, Frankrijk, Zuid-Afrika, Mozambique?

Expats die de stap namen om ergens een vakantiehuis te kopen, zijn laaiend enthousiast. Moet je doen! Een vaste uitvalsbasis! De kinderen voelen zich er helemaal thuis! Onze kaplaarzen staan al klaar! Dicht bij familie! Mijn zus woont om de hoek! Eerst naar onze familie in Engeland, dan naar ons huisje in Frankrijk!

Maar waar?

Als je als expat besluit om ergens een eigen plek te willen, staat nog niet vast wáár. De wereld ligt voor je open. Allereerst: is het wel zo vanzelfsprekend om naar Nederland te kijken? In Frankrijk zijn de huisjes veel goedkoper. Portugal idem. Toscane heeft een goed klimaat. Zuid-Zweden klinkt ook idyllisch. Of moeten we buiten Europa kijken? Australië, Canada, Nieuw-Zeeland? Maar wacht, wat willen we eigenlijk met dat huisje? Is het een plaats om onze vakanties door te brengen? Is het een manier om onze kinderen roots mee te geven? Of is het in eerste plaats een belegging? Kunnen we dan niet beter een appartement in Johannesburg kopen? Of een strandvilla in Mozambique?

Een stukje als dit zou moeten toewerken naar een apotheose. Huisje gevonden! Kom allemaal brunchen in de boomgaard! Zover is het nog niet, maar de eerste stap is gezet: we weten waar. In Nederland. Dat ligt verreweg het meest voor de hand, daar zijn we het over eens. Nu de tweede stap van dit veeljarenplan. Sparen.

Spread uit het woonplakboek