Een lezer van dit blog stuurde me het volgende fragment.

Het leven is van een ongekende innigheid.

Ergens loopt een scheidslijn die ons verdeelt in burgers en avonturiers. Burgers zullen het geluk en de charme van dit bestaan nooit begrijpen. Zij missen het comfort van de steden, de ijsfabrieken, het electrische licht, scholen, doktoren en de bioscoop, waar men de romantiek van een verlaten eiland vanuit een diepe fauteuil en voor een avond aangenaam kan genieten.

Met de avonturiers valt te praten, zij begrijpen het genot van een tocht in een lekke prauw, de opwinding van een onverwacht schot en de schreeuw van een stervend dier, het ongemak van regens, bandjirrende rivieren en een lekkend dak. Want wiens leven licht is door de genade van het avontuur, voelt een heimwee in de steden en de bewoonde plaatsen en een lichte wrevel om het onglorieuze bestaan, beveiligd en zonder risico’s. Ze waren de verloren zonen, die uitzeilden en stierven en de koloniën zijn overzeese gewesten geworden en avonturiers worden er het liefst geweerd.

Gelukkig zijn hier en daar nog eenzame plaatsen en verborgen eilanden, waar een dwaas kan leven en danken voor de genade van zijn uitzonderlijk bestaan.

De passage komt uit Het laatste huis van de wereld van Beb Vuyk (1954). Beb Vuyk was een Nederlandse schrijfster, geboren in Rotterdam, die lange tijd op de Molukken woonde.

Jaren geleden, tijdens een reis door de Sahara, ontmoette ik een bioloog die zelf ook op de Molukken had gewoond. Steeds opnieuw begon hij tegen me over Beb Vuyk. Toen begreep ik niet waarom. Nu wel. Afgezien dan van de opwinding van een onverwacht schot.