Recente stukjes

Stukjes met de tag ‘expat’

Repatriëring

08|01|2017 16:58

“Nederland verlaten en een nieuw leven beginnen aan de andere kant van de wereld is eenvoudiger dan terugkeren in onze samenleving.”

Zo schreef een wetenschapper die op de materie is gepromoveerd. Ik had me dan ook schrap gezet, maar in eerste instantie viel het ons erg mee. Natuurlijk hielp het dat we in zo’n fijn dorpje kwamen te wonen. Ons dorp deed ons in veel opzichten denken aan de expatgemeenschap in Dar es Salaam: de mensen zijn hartelijk en er zijn veel lokale initiatieven.

Expats weten dat ze alleen elkaar hebben

Wat we toen niet inzagen, en nu wel, is dat een regulier dorp – of een andere geografische eenheid – toch op een aantal essentiële aspecten afwijkt van een expatgemeenschap. Net als expats wonen dorpelingen en buurtgenoten in hetzelfde gebied. Het verschil is dat expats weten dat ze het met dát gebied moeten doen, en met de mensen die in dat gebied wonen. De meeste expats hebben hun vrienden en familie immers niet meegenomen naar Afrika. Het gevolg is dat expats in hoge mate openstaan voor nieuwe vriendschappen, dat ze elkaar niet schofferen en dat ze zich op allerlei manieren inzetten voor de gemeenschap. Je moet het samen doen. Er is niemand anders. En dus helpen expats elkaar waar ze kunnen, vieren ze samen Sinterklaas, Koningsdag en Guy Fawkes, en nodigen ze elkaar uit voor Thanksgiving en Hannukah. Als iemand iets organiseert – paaseieren zoeken, een lezing over nachtelijke dierengeluiden – is iedereen welkom: oudgedienden en nieuwkomers, jong en oud.

In Nederland gaat het anders, zelfs in een dorp als het onze. En dat is ook logisch. Het ligt aan ons, niet aan het dorp. Om een voorbeeld te noemen: vanuit mijn expatervaring ga ik er min of meer vanuit dat je na twee goede gesprekken al met iemand bevriend bent. Zo werkt het onder expats in Afrika, maar zo werkt het natuurlijk niet in Nederland. Vriendschappen ontstaan hier volgens een hiërarchie aan stapjes, een beetje zoals daten in de Verenigde Staten: the first date, the second date, the third date enzovoort, elk met eigen voorschriften, do’s and don’ts. Het is vreemd als je een paar stapjes overslaat. Dat doe je niet. Dat is ongepast. Dat overschrijdt de ongeschreven sociale regels.

Het is dus een beetje raar – zo hoorde ik achteraf – om iemand die je een paar keer hebt gesproken uit te nodigen voor een etentje, of om een massa-sms te sturen met de vraag of iemand zin heeft om mee te gaan naar een cursus Lindy Hop. Dat is echt hoogst ongebruikelijk. Wat ook anders is, is dat er in ons dorp mensen zijn die zich aan alle dorpse activiteiten onttrekken. In een expatgemeenschap zou dat ongewoon zijn, maar in Nederland kun je je dat veroorloven: mensen hebben een heel netwerk naast het dorp – familie, middelbareschoolvrienden, vrienden uit de studententijd, sportvrienden, enzovoort – dus de mensen die bij je in de buurt wonen, heb je minder nodig. In expatgemeenschappen heb je elkaar wel nodig. En dat is mooi.

Afrika is zo zoet

Toch zou ik niet meer in Dar es Salaam willen wonen. De hitte! De eeuwige strijd om het stof buiten de deur te houden! De beestjes! Als ik een nieuw pak pasta of tarwebloem opentrek, ben ik blij dat er geen meeltorren in zitten. Als ik ’s avonds het licht in de keuken aandoe, ben ik blij dat de vloer niet is veranderd in één grote krioelende massa nachtmieren, op zoek naar het schaaltje kattenvoer. Maar wat vooral heerlijk is, is dat je in Nederland min of meer veilig bent. Je kunt niet zomaar uit je huis gezet worden, je kunt over straat slenteren of fietsen zonder beroofd te worden, en als je een enorme knal hoort, is dat gewoon vuurwerk en geen ontploffend munitiedepot (twee keer meegemaakt in Dar es Salaam, één raket sloeg in vlakbij ons oude huis). En dan heb ik het nog niet eens over de stroom- en watervoorziening. Het comfortniveau in Nederland ligt gewoon veel hoger.

Maar ook al geniet ik erg van ons nieuwe huis, van ons dorp, van Amsterdam en van onze familie in Nederland, toch denk ik vaak aan Afrika. Ik mis de mensen die we in Afrika hebben leren kennen. De meesten zijn inmiddels zelf ook verhuisd; ze hebben zich letterlijk over de wereld verspreid. Ik mis ook de uitstapjes die we soms maakten in het weekend. Het snorkelen, de heldere zee die zachtjes over je blote voeten kabbelt, de verlaten Robinson Crusoëstranden. De dhows, de mangroves, de onbewoonde eilandjes. Ik denk ook weer vaak aan Zambia. Aan de Zambezi en aan de Afrikaanse geluiden die ik me herinner. En ik droom over nieuwe reizen. Zo zou ik dolgraag nog eens een paar maanden in Botswana willen wonen. De Kalahari ontdekken, de Okavango, de Makgadikgadi Pans… wie weet komt het er nog eens van.


Koekjes

04|07|2016 09:27

– Kan ik nog wat lekkers voor je meenemen? vroeg mijn moeder.

Ik had al gehoopt dat ze dat zou vragen. Zelf had ik haar alleen om essentiële dingen durven vragen, zoals kinderondergoed en nieuwe zonnebrandcrème. Dus ik zei:
– Graag! Als het er nog bijpast!
 Een pak koekjes?
 Lekker!

Koekjes zijn duur in Tanzania, en hoewel de keuze enorm is, zijn het voornamelijk koekjes ‘met iets ertussen’, kaakjes en biscuitjes. Heel soms zijn er speculaasjes of Sultana’s te koop. Die sloeg ik dan meteen groot in, om het daarna door te sms’en naar mijn Nederlandse vriendinnen, met als resultaat dat ze binnen een week uitverkocht waren, ook al kostten ze vijf euro per pak. In het segment koekjes beperkten we ons dus tot zelfgemaakte koekjes van zandtaartdeeg, speculaasjes en Sultana’s. En in het weekend kochten we soms chocoladecroissantjes bij Epi d’Or, de Franse bakkerij. Wat koekgoed betreft hadden we dus eigenlijk niets te klagen.

Toch verheugde ik me twee weken lang op de koekjes die mijn moeder zou meenemen. Wat zou ze kiezen? Gevulde koeken? Stroopwafels? Ontbijtkoek met suikertjes? Pepparkakor? Coq bastognes? Of misschien Bahlsen-chocoladekoekjes, het liefst puur? Goddelijke koekjes zijn dat. Die combinatie van kruimelig biscuit en bittere chocola… verrukkelijk.

De dag na de aankomst van mijn moeder waren ondergoed en zonnebrandcrème uitgepakt, maar waren er nog geen koekjes tevoorschijn gekomen. Voorzichtig informeerde ik er eens naar.
– Oja, de koekjes, herinnerde mijn moeder zich. Ze pakte een rol volkorentarwekaakjes uit haar koffer. – Alsjeblieft.

Droevig keek ik naar het pak in mijn hand. Tarwekaakjes. Volkoren. Met extra vezels. De enige kaakjes die in Dar es Salaam al-tijd verkrijgbaar zijn, in wel vijftien varianten, en die we nooit kopen, omdat koekjes lekker moeten zijn en niet gezond.
– Ja, ik dacht, laat ik nou iets gezonds meenemen, voor de kinderen, zei mijn moeder. Ik weet niet of ze mijn teleurstelling zag of dat ze spontaan uitleg gaf.

Maar we woonden in Afrika. En in Afrika wonen arme kindertjes en arme kindertjes hebben helemaal geen koekjes. Arme kindertjes zouden blij zijn met tarwekaakjes. En bovendien was het goed bedoeld: puur uit liefde voor mij en haar kleinkinderen had mijn moeder geprobeerd om zowel haar natuurlijke neiging tot grootouderlijke verwennerij (lekkers) als haar natuurlijke neiging tot zorgzaamheid (gezond eten) te volgen. Met als vanzelfsprekend compromis: volkorentarwekaakjes met extra vezels.

– Lief van je.

Ik omhelsde haar. De goede ziel. Altijd met de beste bedoelingen. En zou ik niet tevreden zijn met een pak volkorenkaakjes?

Inmiddels zijn we twee jaar terug in Nederland. Een paar weken geleden kocht ik voor het eerst een pak volkorenkaakjes, vanuit dezelfde overwegingen als mijn moeder destijds: het is gezond en toch een koekje. En je raadt het al: onze kinderen blijken dol op volkorentarwekaakjes. En ik eigenlijk ook.


test