Recente stukjes

Stukjes in de rubriek ‘Gezondheid’

Hondsdolheid

16|06|2013 17:03

Het is een vrijdagavond begin december 2005. Onze kinderen zijn onder de twee, de jongste pas vijf maanden, dus we willen maar één ding: slapen. Echtgenoot ligt al in bed als ik in het duister nog een glas water ga halen in de keuken. Door de glazen voordeur zie ik het silhouet van een kat. Terug in bed zeg ik:
– Vandaag is Zoon trouwens gebeten door die kat.
Korte stilte. Dan knipt Echtgenoot het nachtlampje aan en gaat rechtop zitten.
– En dat zeg je nu pas?

Oja. Rabiës. Goh. Helemaal niet aan gedacht.

– Hij zal die kat wel aan zijn staart hebben getrokken, zeg ik.
– Ja, maar dan nog. Het is een zwerfkat.
– Nou… hij heeft hier jarenlang gewoond. Dit is zijn huis.
– Maar nu woont hij buiten. En op de zolder wonen een paar honderd vleermuizen.

Dat is waar. ‘s Avonds vliegen ze uit: wolken en wolken van vleermuizen, die stuk voor stuk onder ons dak wonen. Overdag horen we ze scharrelen boven het plafond.

– Het is maar een heel klein wondje hoor, zeg ik. – Het stelt eigenlijk niets voor. Een piepklein gaatje door de nagel van zijn duim, dat is alles.
– Wat zegt het boekje?

Het boekje, dat is het boekje Met kinderen in de tropen, van het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam. Samen lezen we de hoofdstukken over hondsdolheid. Voor de zekerheid slaan we het tweede boekje er ook op na: Hoe blijf ik gezond in de tropen, ook van het KIT. Daar staat het: “Hondsdolheid wordt overgebracht via het speeksel van honden, katten, vleermuizen, runderen en andere zoogdieren die met het rabiësvirus besmet zijn. (…) Een lik op een open wondje kan voldoende zijn om de ziekte over te brengen.”

Het boekje laat er geen twijfel over bestaan: tenzij de kat is ingeënt, heeft Zoon “binnen 24 à 48 uur” vaccinaties nodig. Sterker nog: omdat Zoon niet is ingeënt tegen hondsdolheid, heeft hij zowel het passieve, als het actieve menselijke antivirus nodig, dat, zo zegt het boekje, “zeer duur is en daarom in veel tropische landen niet beschikbaar is.”
Ah nee he. Echtgenoot en ik kijken elkaar aan. Daar gaat ons weekend, denken we. Maar eerst slapen.

Het circus begint

Onze zoon was niet ingeënt tegen rabiës. Dat was wel de bedoeling, maar we waren te kort voor vertrek bij de Travel Clinic om de kuur te beginnen en ook af te maken. De Travel Clinic raadde ons daarom aan om de inentingen in Swaziland te halen. En zo zat ik een paar weken na aankomst, negen maanden voor de kattenbeet, samen met Zoon in de praktijk van een blanke Zuid-Afrikaanse arts in het gehucht Big Bend. Over hondsdolheid hoefde ik me geen zorgen te maken, zo stelde de arts me gerust: het was echt niet nodig om Zoon in te enten. Zijn eigen kinderen waren ook niet ingeënt tegen rabies.

Dit was mijn eerste interactie met deze dokter, dus ik nam alles van hem aan en vroeg niet door. De verhalen over zijn medische reputatie zouden mij pas later bereiken.

Zaterdagochtend, de dag nadat Zoon gebeten was, achterhaalde ik viavia het telefoonnummer van de plaatselijke dierenarts. Zij bleek de kat wel te kennen, maar meldde dat zij honderd procent zeker wist dat ze de kat de afgelopen jaren niet had ingeënt. Voor de zekerheid gaf ze me ook het nummer van de veearts. Ook hij had de kat geen prikjes gegeven.

Vervolgens belde ik onze schoonmaakster Nonhlanhla, die getuige was geweest van het voorval (zelf was ik toen net Dochter op bed aan het leggen).

– Heb je gezien wat er is gebeurd? vroeg ik.
– Ja.
– Heeft Zoon de kat gemolesteerd?
– Nee.
– Heeft hij iets provocerends gedaan?
– Nee, niets.
– Wat is er dan gebeurd?
– De kat heeft hem gewoon aangevallen.
– Hoe ging dat dan?
– Zoon stond buiten op de oprit. De kat zat een paar meter verderop. Toen viel de kat hem zomaar aan.
– Zoon liep niet op de kat af?
– Nee, Zoon stond stil. De kat ging naar Zoon.

Hmm. Misschien had ik toch iets te nonchalant gereageerd gisteren.

Big Bend

– We weten precies wat we nodig hebben, zegt Echtgenoot tegen me. – Het actieve en het passieve virus. Misschien hebben ze het hier, in de kliniek van Big Bend, dan hoeven we niet naar Mbabane.

Echtgenoot heeft nog geen ervaring met de kliniek in Big Bend.

– Ze zullen het ons niet geven, zeg ik.
– Laten we het gewoon proberen.
– We verliezen er tijd mee.
– Maar misschien hoeven we dan niet naar Mbabane, houdt Echtgenoot vol.
Mbabane is de hoofdstad en ligt op anderhalf uur rijden.
– In vredesnaam dan maar.

Zoals verwacht werkt de arts in Big Bend niet mee. Het is een zogenaamde bagatelliseerarts.

– Er is maar een kleine kans dat uw zoon besmet is.
– Met andere woorden: er is maar een kleine kans dat mijn zoon sterft. Ik wil die kans graag terugbrengen naar nul, zegt Echtgenoot.
– Deze dokter zal u het vaccin niet geven.
– Luister. Ik heb maar één vraag. Heeft u dat actieve antivirus in huis ja of nee?
– Nee.
– Dan weten we genoeg.

Echtgenoot en ik staan op. Het wordt Mbabane.

Mbabane

In de kliniek van Mbabane, beweerdelijk de beste kliniek van het land, is een jonge Afrikaanse arts aanwezig die ons bezweert dat rabiës alleen door honden kan worden overgebracht. Hij is buitengewoon overtuigd van zijn eigen gelijk, zelfs zodanig dat Echtgenoot en ik beginnen te twijfelen aan het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Dit is al de tweede dokter die ons vertelt dat we ons druk maken om niets. We willen hem zo ontzettend graag geloven. We willen zo ontzettend graag dat iemand tegen ons zegt: maak je geen zorgen, alles komt goed, vertrouw op mij. Ik sta dan ook op het punt om in te geven. Laten we gewoon lekker naar huis gaan. Thuis met z’n allen een dutje doen. Vanavond vroeg naar bed. Morgen Sinterklaas vieren zoals gepland. Laten we deze hele kattentoestand vergeten en doorgaan met ons leven.

Dan zegt de Afrikaanse arts:
– Anders vang je de kat en houd je hem een week vast. Als hij na een week nog leeft, weet je dat het goed is.

Op dat moment verschuift er iets in me. Het moment van twijfel is meteen voorbij. Een grote helderheid overvalt me. Ik draai me naar Echtgenoot om en zeg in het Nederlands: – Deze man weet het niet! Als die kat na een week dood is, zijn we te laat met de vaccinaties!
Echtgenoot knikt.
– Heeft u dat actieve antivirus ja of nee?, vraagt Echtgenoot dringend.
– Nee, zegt de man.

Dit moment van inzicht heeft een blijvende indruk op ons gemaakt. Als ik zeg dat ons verblijf in Swaziland ons heeft veranderd, dan doel ik in feite op dat moment, daar in die kliniek. Op dat moment realiseerden we ons dat we alleen op onszelf kunnen vertrouwen. Dat we zelf keuzes moeten maken, dat we zelf de verantwoordelijkheid moeten nemen, en dat we noch de keuzes, noch de verantwoordelijkheid aan iemand anders kunnen overlaten, zelfs niet aan een deskundige arts. Op dat moment realiseerden we ons dat we Alleen waren, maar: Samen Alleen. We realiseerden ons ook dat onze kinderen voor niemand zoveel betekenen als voor ons. We realiseerden ons dat het belang van het kind voor moest gaan, en niet onze zin in een middagdutje, onze neiging om confrontaties uit de weg te gaan of onze diepe behoefte om gerustgesteld te worden.

We voelden ons erg samen op dat moment. Maar de tijd tikte en we hadden nog geen antivirus.

Een bizarre lunch

Het was tijd om wat te eten en om dochter te voeden. Plaats: een tafeltje in de mall van Mbabane, tussen het winkelend publiek. To do list: apotheken in Mbabane bellen, centraal medicijnendepot van Mbabane bellen, en indien onsuccesvol: uitvinden welk ziekenhuis in Zuid-Afrika het actieve antivirus op voorraad heeft. De dichtstbijzijnde steden in Zuid-Afrika zijn Pretoria (5 uur rijden) en Nelspruit (3 uur rijden). Complicaties: onze prepaid telefoonkaarten raken snel op dus we moeten steeds bijkopen, we hebben geen namen en telefoonnummers van ziekenhuizen in Pretoria en Nelspruit, we hebben geen internet op onze telefoons, Dochters paspoort ligt bij het Swazi Ministerie van Binnenlandse Zaken en de grens met Zuid-Afrika sluit om zeven uur ‘s avonds. Onderschat dat laatste niet. Echtgenoots collega uit Swaziland, een Zuid-Afrikaanse Brit, moest ooit ‘s nachts met zijn doodzieke dochter over het hek van de grens klimmen omdat zijn dochter acute appendicitis had. Ze heeft het gered.

Gelukkig kennen we iemand die bekend is met de ziekenhuizen in Nelspruit (dezelfde collega), en stomtoevallig kennen we ook een Nederlandse familie in Pretoria. Terwijl ik Dochter haar portie borstmelk geef, beent Echtgenoot in grote kringen om ons tafeltje heen, mobiel aan zijn hoofd, bellend met Pretoria en Nelspruit en af en toe nieuwe belkaarten halend. Zelf bel ik onze vriendin in Manzini, Annemiek, want ik realiseer me dat ik straks samen met Dochter achterblijf in deze mall, op anderhalf uur rijden van huis, zonder transport. Dochters paspoort ligt immers bij Binnenlandse Zaken en we zijn maar met één auto. Vriendin Annemiek komt er onmiddellijk aan: ze woont op een half uur afstand in Manzini. Ondertussen komt stomtoevallig de Nederlandse consul langs lopen, in een stuk informelere outfit dan die waarin we hem leerden kennen op Koninginnedag. Hij sluit zich aan bij het gezelschap en verleent waar mogelijk hand- en spandiensten. De keuze valt op een ziekenhuis in Nelspruit: aan de telefoon heeft het ziekenhuis bevestigd dat ze het actieve antivirus op voorraad hebben.

– Ik moet zo gaan, zegt Echtgenoot, anders kom ik niet op tijd de grens over.
Snel koop ik eten en drinken voor hen voor onderweg, plus een stuk speelgoed dat Zoon drie uur lang moet zoet houden in de auto (een wasmachine met beweging, geluid en echt water). Pampers verdelen, paspoorten verdelen, hop hop hop, kus en klaar.
– Wacht… waar slaap je vannacht?
– Ik zie wel. Zeg… heb je dat nummer nog van die mensen uit Nelspruit?

Ik zoek in mijn portefeuille. Warempel. Tussen de bonnetjes zit een klein stukje papier met een telefoonnummer. Ooit stonden we in een enorme supermarkt in een rij voor een kassa. Iemand hoorde ons Nederlands spreken en sprak ons aan. Een leuke jonge vrouw die in Nelspruit woonde. Haar man had civiele techniek gestudeerd in Delft, net als Echtgenoot, en werkte nu bij een waterzuiveringsbedrijf in Nelspruit. Ze gaf me hun telefoonnummer en drukte me op het hart te bellen als ik ooit een slaapplaats nodig had in Nelspruit.

Als je ver van huis in een winkelcentrum staat met twee kleine kinderen en er is geen enkele dokter die je kan of wil helpen, dan kun je zo’n vriendin uit Manzini, zulke kennissen uit Pretoria, zo’n behulpzame consul en zulke gastvrije mensen uit Nelspruit wel omhelzen van dankbaarheid.

Het staartje

Ook de arts in Nelspruit wilde Zoon het prikje aanvankelijk niet toedienen, met alweer hetzelfde argument:
– Als het mijn zoon was, zou ik het niet geven.
Kennelijk was hij niet op de hoogte van het Zuid-Afrikaanse hondsdolheidprotocol, volgens welke, zo vond ik later uit, Zoon in de hoogste risicocategorie viel. Het kan ook zijn dat zijn eigen leven vrij aangeharkt was en dat hij zich geen voorstelling kon maken van de omstandigheden in een ruraal gehucht als Big Bend. In elk geval moest Echtgenoot op zijn strepen gaan staan:
– Het is mijn zoon en ik wil zo’n inenting.
De arts ging het vaccin zoeken, maar keerde onverrichterzake terug.
– We hebben het niet.
– Jawel, jullie hebben het wel, hield Echtgenoot vol. – Ik heb gebeld vanuit Swaziland en ik weet dat jullie het hebben. Ga nog maar een keer zoeken.
De vaccinaties kwamen boven water en zo kreeg Zoon eindelijk zijn prikjes.

Echtgenoot en Zoon overnachtten bij het Nederlandse stel in Nelspruit, van wie wij helaas de namen vergeten zijn. Jongens, als jullie dit ooit lezen, ontzettend bedankt.

Annemiek bracht Dochter en mij terug naar ons huis in the lowveld. Voor haar was dat een enorm eind rijden, en ze moest ook nog terug naar Manzini voor een gala. Veel dank Annemiek!

Thuis las ik, met de adrenaline nog in mijn lijf, op internet over rabiës. Dat bevestigde dat we niet paranoia waren. Voor Swaziland zijn geen gegevens beschikbaar, maar in Zuid-Afrika komt hondsdolheid het meest voor in Kwazulu-Natal, de provincie die grenst aan het lowveld van Swaziland. En volgens het rabiësprotocol van de Zuid-Afrikaanse overheid viel zoon in de hoogste risicocategorie. We hadden de juiste beslissing genomen.

Desalniettemin was de kat nog steeds in leven toen we twee maanden later naar Tanzania verhuisden.


Inentingen in Swaziland

27|05|2013 20:05

Het is september 2005. We wonen in het zuiden van Swaziland, in het dorpje Big Bend, genoemd naar een grote bocht in een rivier. Onze dochter is zes weken oud en heeft haar tweede set inentingen nodig. De eerste set kreeg ze bij haar geboorte in Zuid-Afrika.

Omdat de kliniek in Big Bend een grote rode vlag is, rijden we op een zaterdagmorgen naar het dichtstbijzijnde stadje Manzini, ongeveer een uur verderop, omdat we daar een goede arts kennen. Hij is van Rwandese afkomst en we vertrouwen hem. Tijdens mijn zwangerschap was ik er een paar keer geweest en dat was naar alle tevredenheid. De arts geeft onze dochter haar inentingen en na korte tijd staan we weer buiten.

Als we in de auto zitten, sla ik me voor het hoofd.
– Shit, we hebben de houdbaarheidsdatum niet gecontroleerd.
In onze kliniek in Zambia was het standaardprocedure om patiënten de houdbaarheidsdatum te laten controleren. Of je wilde of niet: er werd geen prikje gezet voor je had bevestigd dat het vaccin in orde was.
– Het zal toch wel goed zijn? vraagt Echtgenoot.
– Ja… nou… ik weet het niet. (Korte stilte). – Ik kan er vast niet van slapen vannacht.
– Het is vast goed, zegt Echtgenoot.
Ik voel een diepe bezorgdheid in me opkomen. We wonen al drie jaar in Afrika en hebben medisch al het een en ander meegemaakt.
– Liefste, zou je het toch even binnen willen navragen? Alsjeblieft. We zijn hier nu. Het is vijf minuten.
Echtgenoot zucht. De nacht was kort, de dagen zijn lang, en het is tijd voor het weekend.
– Ik blijf wel in de auto met de kinderen, zeg ik. – Dan kan ik meteen Dochter voeden.
Echtgenoot zucht opnieuw. Dan stapt hij uit.

Ik voed onze dochter. Vijf minuten gaan voorbij. Tien. Vijftien. Twintig. Ik neem me voor om voortaan altijd de uiterste houdbaarheidsdatum te controleren.
Na een half uur stapt Echtgenoot weer in de auto.
– En? vraag ik. – Was het verlopen?
– Nee, zegt Echtgenoot. – Ze hebben haar de verkeerde inentingen gegeven.
– Waaat?!!

Het blijkt dat ze Dochter in haar ene been een combinatievaccin hebben gegeven van DTP en Hepatitis B, en in haar andere been DTP. De bedoeling was dat ze in haar ene been het combinatievaccin zou krijgen en in haar andere been HIB.
– Ze waren ervan overtuigd dat ze het goed hadden gedaan, zegt Echtgenoot. – Ze lieten me zelfs de instructies van de overheid zien. Een jaar geleden is de overheid overgestapt op een nieuw protocol. Maar ze hebben de brief niet goed begrepen.
Echtgenoot kijkt me aan.
– Alle kinderen krijgen hier al een jaar lang een dubbele DTP-dosis, en geen HIB.
Ik laat deze mededeling langzaam tot me doordringen.
– Dus ze heeft geen HIB gekregen.
– Nee.
– Er zijn losse HIB-vaccins. In Zambia hadden ze die ook.
– Ja, maar hier hebben ze alleen combinatievaccins met DTP. En daar heeft ze al een dubbele dosis van gehad.
– Wat nu?
– Nu niks. Over zes weken geven we haar het HIB-vaccin, tegelijk met de volgende inentingen. En we gaan nooit meer naar deze kliniek.

Zes weken later

Zes weken later is het tijd voor Dochters nieuwe prikjes. De kliniek in Big Bend is uitgesloten, de kliniek in Manzini is ook geen optie meer, dus op een zaterdagochtend gaan we op weg naar Mbabane, de hoofdstad van Swaziland, waar beweerdelijk de beste kliniek van het land zit.

Na anderhalf uur rijden worden we begroet door een blanke arts. Dat boezemt toch vertrouwen in, al hebben we in Lusaka en Big Bend geleerd dat de kwaliteit van een arts niet aan de huidskleur is af te lezen. De dokter informeert waar we vandaan komen. Helemaal uit Big Bend? Zo zo, dat is een hele trip. Wat doen jullie daar? Jullie wonen daar? Poor you!

Ze maakt alles gereed voor Dochters inentingen.
– Neemt u ons niet kwalijk, vragen wij bedeesd, ons pijnlijk bewust van het feit dat we met onze vraag de professionaliteit van haar kliniek in twijfel trekken, – Zouden wij misschien even de flesjes kunnen zien?
– Waarom? vraagt de arts vriendelijk.
Omdat we de EXP-datum willen controleren, denken we, maar we zeggen:
– Omdat een andere arts ons de vorige keer de verkeerde inentingen heeft gegeven.
– In deze kliniek? vraagt de arts.
– Nee, in Manzini.
In geuren en kleuren vertellen we haar het verhaal. We zijn toch blanken onder elkaar nietwaar, en allicht is ze uit hoofde van haar functie geïnteresseerd. Tegelijk controleren we schijnbaar achteloos de flesjes.
– Ehm, sorry, maar volgens mij zijn de poliodruppels verlopen, zeg ik.
– Echt? zegt de vrouw verbaasd.
Zwijgend geef ik haar het flesje terug.
– Ja zeg, o wat erg. Ik pak snel even een andere.
De vrouw verdwijnt. Echtgenoot en ik kijken elkaar aan, bondgenoten in onze missie.

Het duurt een tijdje voordat de vrouw terug is.
– Het spijt me ontzettend, zegt ze, maar al onze poliovaccins zijn verlopen. Ik denk niet dat het een probleem is, voegt ze eraan toe.
– Tja, zeg ik voorzichtig, alweer beducht om haar deskundigheid al te opzichtig in twijfel te trekken. – Het zal er toch niet voor niets opstaan…
– Nee, dat zal wel…, zegt de arts vriendelijk. – Weet je wat, gaan jullie lekker lunchen in Mbabane, dan bel ik even met het landelijk depot en dan komen jullie na de lunch nog even langs voor de poliodruppeltjes.

Zo gezegd zo gedaan. Dochter kreeg haar HIB-, DTP- en Hepatitis-B-vaccins en daarna lunchten we in een echte mall. Na de lunch belden we voor de zekerheid met de kliniek, om te zien of het vaccin al gearriveerd was. Het antwoord was ontkennend. Wat bleek? Het landelijke depot had ook alleen verlopen poliodruppels. Met andere woorden: alle kinderen in heel Swaziland kregen een poliovaccin waarvan de uiterste houdbaarheidsdatum was verstreken.

Kliniek in Dar es Salaam

Sindsdien houd ik nauwgezet bij welke inentingen onze kinderen hebben gehad en welke ze nog moeten. Gelukkig hebben we hier in Dar es Salaam een fantastische kliniek, stomtoevallig gerund door Nederlanders, waar ik dusdanig vertrouwen in heb dat ik zelfs de houdbaarheidsdata niet meer controleer.


Malaria en muggengebroed

01|07|2009 14:42

– Ojee, ik ben geprikt! Ik dacht dat malariamuggen alleen ‘s nachts prikten??
– Dit is een bush mosquito. Een tijgermug.
– O. Goddank.
– Deze brengt alleen knokkelkoorts over.

Elk jaar sterven miljoenen mensen aan malaria, vooral in Afrika, vooral kinderen onder de vijf. Daar hebben we er twee van. Toch volgen we het advies van de Nederlandse Travel Clinic niet op. We slikken geen malariaprofylaxe. Is dat wel verstandig? Meer →


test