Recente stukjes

Stukjes in de rubriek ‘Dar es Salaam’

Kigamboni, de Afrikaanse stad van de toekomst

05|12|2016 15:56

In De Correspondent schreef Annemiek Prins vorige week een artikel over de stad van de toekomst. Titel: De stad van de toekomst is niet van beton en glas, maar van stro en zwerfhout. De schrijfster bedoelde dat de stad van de toekomst een sloppenwijk is. Op de een of andere manier vond ik haar omschrijving niet erg, maar mooi. De woorden ‘stro’ en ‘zwerfhout’ doen mijn hart nu eenmaal harder kloppen dan de woorden ‘beton’ en ‘glas’.

Dat is ook waarom ik meer houd van het Dar es Salaam uit 2006 dan van het Dar es Salaam van nu. In 2006 (2 miljoen inwoners) vond ik het een fijne stad, echt een lievelingsstad. In 2014 (4 miljoen inwoners) vond ik het de stad steeds onleefbaarder worden. Wat maakte de stad in 2006 dan zo leefbaar, in mijn ogen? De landelijkheid. De dorpsheid. Ondanks haar twee miljoen inwoners had Dar es Salaam in 2006 veel groen en bomen. Tuinen en plots waren van elkaar gescheiden door heggen. Langs de weg liepen soms koeien. Kippen en geiten scharrelden rond op zanderige kruispunten. Straatverlichting ontbrak: ‘s nachts was het aardedonker. En in die nacht hoorde je nachtzwaluwen, krekels en de markante roep van de waterdikkop.

screen-shot-2016-12-05-at-15-16-10

Artist impression van het nieuwe Kigamboni. Ik ken iemand die zich nog kan herinneren dat er leeuwen en nijlpaarden rondliepen.

Ik snap dat dat niet kon voortduren. In het regenseizoen veranderden wegen in riviertjes. De telefoon- en elektriciteitslijnen langs de wegen braken regelmatig, met stroomuitval als gevolg. Maar was het nodig om alle heggen te vervangen door betonnen muren? Was het nodig om bijna alle koloniale huizen in de binnenstad te slopen? Was het nodig om tussen elke twee bomen een billboard te plaatsen, en om gebouwen letterlijk te bedekken onder reclame?

Ik hou van Afrika. Daarmee bedoel ik dat ik hou van organisch, authentiek en natuurlijk. Maar Afrikanen houden niet van organisch en natuurlijk. Ze houden van Dubai en Singapore. Van groot, van blinkend, van glas, van staal. Singapore dient dan ook als voorbeeld voor de ontwikkeling van een nieuw stadsgebied ten zuiden van Dar es Salaam. En waarom niet? Als de nieuwe wijk net zo duurzaam wordt als Singapore, ga ik niet zeuren over koeien en geiten.

Maar wat ik zal missen, is de kleinschaligheid van het oude Dar. De fietsenmakers, de schoenmakers, de pindaverkopers. De mensen die in de schaduw van een boom op een straathoek zitten te dammen met als damstukken doppen van waterflesjes. Liever dan een stadswijk met wolkenkrabbers, zie ik een stadswijk met straatstalletjes, duka’s en kapsalons. Maar kennelijk is beton en staal een fase waar je als land doorheen moet.

Lees hier mijn blogpost over de ferry naar Kigamboni.

Lees in deze post waarom ik houd van organisch en krom, en waarom Afrika lijkt op mijn oude studentenhuis.

En bekijk hier de mooie illustraties die Sarah Markes maakt van het oude, authentieke Dar es Salaam.


Koekjes

04|07|2016 09:27

– Kan ik nog wat lekkers voor je meenemen? vroeg mijn moeder.

Ik had al gehoopt dat ze dat zou vragen. Zelf had ik haar alleen om essentiële dingen durven vragen, zoals kinderondergoed en nieuwe zonnebrandcrème. Dus ik zei:
– Graag! Als het er nog bijpast!
 Een pak koekjes?
 Lekker!

Koekjes zijn duur in Tanzania, en hoewel de keuze enorm is, zijn het voornamelijk koekjes ‘met iets ertussen’, kaakjes en biscuitjes. Heel soms zijn er speculaasjes of Sultana’s te koop. Die sloeg ik dan meteen groot in, om het daarna door te sms’en naar mijn Nederlandse vriendinnen, met als resultaat dat ze binnen een week uitverkocht waren, ook al kostten ze vijf euro per pak. In het segment koekjes beperkten we ons dus tot zelfgemaakte koekjes van zandtaartdeeg, speculaasjes en Sultana’s. En in het weekend kochten we soms chocoladecroissantjes bij Epi d’Or, de Franse bakkerij. Wat koekgoed betreft hadden we dus eigenlijk niets te klagen.

Toch verheugde ik me twee weken lang op de koekjes die mijn moeder zou meenemen. Wat zou ze kiezen? Gevulde koeken? Stroopwafels? Ontbijtkoek met suikertjes? Pepparkakor? Coq bastognes? Of misschien Bahlsen-chocoladekoekjes, het liefst puur? Goddelijke koekjes zijn dat. Die combinatie van kruimelig biscuit en bittere chocola… verrukkelijk.

De dag na de aankomst van mijn moeder waren ondergoed en zonnebrandcrème uitgepakt, maar waren er nog geen koekjes tevoorschijn gekomen. Voorzichtig informeerde ik er eens naar.
– Oja, de koekjes, herinnerde mijn moeder zich. Ze pakte een rol volkorentarwekaakjes uit haar koffer. – Alsjeblieft.

Droevig keek ik naar het pak in mijn hand. Tarwekaakjes. Volkoren. Met extra vezels. De enige kaakjes die in Dar es Salaam al-tijd verkrijgbaar zijn, in wel vijftien varianten, en die we nooit kopen, omdat koekjes lekker moeten zijn en niet gezond.
– Ja, ik dacht, laat ik nou iets gezonds meenemen, voor de kinderen, zei mijn moeder. Ik weet niet of ze mijn teleurstelling zag of dat ze spontaan uitleg gaf.

Maar we woonden in Afrika. En in Afrika wonen arme kindertjes en arme kindertjes hebben helemaal geen koekjes. Arme kindertjes zouden blij zijn met tarwekaakjes. En bovendien was het goed bedoeld: puur uit liefde voor mij en haar kleinkinderen had mijn moeder geprobeerd om zowel haar natuurlijke neiging tot grootouderlijke verwennerij (lekkers) als haar natuurlijke neiging tot zorgzaamheid (gezond eten) te volgen. Met als vanzelfsprekend compromis: volkorentarwekaakjes met extra vezels.

– Lief van je.

Ik omhelsde haar. De goede ziel. Altijd met de beste bedoelingen. En zou ik niet tevreden zijn met een pak volkorenkaakjes?

Inmiddels zijn we twee jaar terug in Nederland. Een paar weken geleden kocht ik voor het eerst een pak volkorenkaakjes, vanuit dezelfde overwegingen als mijn moeder destijds: het is gezond en toch een koekje. En je raadt het al: onze kinderen blijken dol op volkorentarwekaakjes. En ik eigenlijk ook.


Dar es Salaam Yacht Club

01|07|2013 20:04

In je studententijd zijn er van die kroegen die aanvoelen als een verlengstuk van je studentenhuis. Je hebt er je favoriete plekje, het personeel groet je als je binnenkomt, je kent de incrowd en op de wc weet je precies welke tegeltjes los zitten. In Dar es Salaam bestaat ook zo’n gelegenheid, maar het is geen café. Het is de Yacht Club.

Het fenomeen Yacht Club

In Rotterdam bestond destijds – en bestaat waarschijnlijk nog steeds – een zeilvereniging waar een waas van elitair omheen hing. De naam werd voornaam uitgesproken, met Hoorbare Hoofdletters: De Maas, uit te spreken als Maes. Ik ben er nooit geweest, maar uit de flarden die ik erover opving maakte ik op dat het ging om een Besloten Club. Ik stelde me er een bruin café bij voor, met een houten stuurrad aan de muur, whisky uit het vat en een koperen bel boven de bar. Bij de clientèle dacht ik aan mannen met snor en kapiteinspet die hard lachten en elkaar sterke verhalen vertelden.

Twee weken geleden. Terwijl de ouders genieten van een gin tonic, spelen de kinderen op het strand van de Yacht Club. Met hoog water kunnen ze zwemmen en kayakken. Met laag water verzamelen ze zeekomkommers, zee-egels, zeesterren en visjes, voor in het zelfgemaakte strandaquarium.

Pas twintig jaar later kon ik mijn vooroordelen toetsen aan een andere zeilvereniging, de Dar es Salaam Yacht Club, door mijn zoon consequent uitgesproken als Joht Clab. Ik werd niet teleurgesteld. Er is een bruine bar met een koperen bel, een houten stuurrad en vijf soorten whisky ondersteboven in maatschenkers. Toch blijkt het in de praktijk informeler dan je zou verwachten. Om maar wat te noemen: op de Yacht Club eet je geen garnalencocktails en carpaccio, maar pizza en friet. De douches en wcs zijn niets om over naar huis te schrijven en de leden lopen rond op teenslippers. Om lid te worden moet je weliswaar een klein fortuin op tafel leggen en twee leden vinden die je willen introduceren, maar in de praktijk kan iedereen lid worden, van welke nationaliteit of huidskleur dan ook. De meeste expats zetten zich dan ook over hun aanvankelijke aversie heen en worden lid.

Koloniaal

Koloniaal is het ondertussen wel. Zo hoef je op de Yacht Club je eigen boot niet op te tuigen. Je belt vanuit huis even naar je boat boy (officiële naam!) met de vraag of hij je boot zeilklaar maakt, en als je aankomt staat de boot opgetuigd en wel voor je gereed. Ook aftuigen en schoonmaken doet de boat boy voor je. Indien gewenst kan hij een nieuw verfje regelen of iets laten repareren. Voor dit alles betaal je hem een maandelijks bedrag dat vermoedelijk minder is dan wat een zestienjarige in Nederland verdient met een avondje babysitten. Weliswaar krijgen boat boys daarnaast een salaris van de Yacht Club en werken ze voor verschillende mensen tegelijk, maar toch, een vetpot kan het niet zijn.

Boat boys

Wat mij meer dwars zit, is dat boat boys over het algemeen niet worden gegroet. Terwijl het een voorschrift is van de Yacht Club dat leden elkaar groeten (de club heeft talloze lawsby-laws, rules en regulations), en terwijl groeten in Tanzania zo belangrijk is! De boat boys lijken er overigens niet in het minst mee te zitten: zij minden hun boat business en bemoeien zich niet met de leden. In hun blauwe overalls bewegen ze zich zelfverzekerd over het terrein. Als ik eens een groepje gedag zeg, is de respons ongemakkelijk. Ze lijken mijn groet volkomen overbodig te vinden. Kennelijk accepteren ze het als een gegeven dat er twee duidelijk te onderscheiden groepen zijn op de Yacht Club: enerzijds de boat boys in hun blauwe overalls, anderzijds de leden, voornamelijk expats, in zeil- of zwemkleding. Wat het ongemakkelijk maakt, is dat de boat boys toevallig allemaal zwart zijn en de leden stomtoevallig vrijwel allemaal wit.

Of is dat mijn eigen geconditioneerdheid? Als ik in Nederland een garage binnenkom, voel ik me niet verplicht om alle monteurs te groeten. In een supermarkt groet ik niet alle vakkenvullers. De vakkenvullers zitten daar ook niet op te wachten: zij stellen een bepaalde onzichtbaarheid juist op prijs – ik weet dat omdat ik zelf vakkenvuller ben geweest. In de geografische eenheid van een supermarkt liggen bij wijze van spreken twee plattegronden over elkaar: die van de klanten en die van de vakkenvullers. Elke plattegrond heeft zijn eigen ingang en zijn eigen looproutes. Over de ene plattegrond bewegen zich de klanten, over de andere plattegrond de vakkenvullers, en zij zien elkaar slechts als vermijdbare objecten. Iets dergelijks is aan de hand op de Yacht Club.

Ontbijten in de beach banda met uitzicht over het drooggevallen slik. Op de achtergrond het onbewoonde eilandje Bongoyo.

De leden en het bedienend personeel groeten elkaar overigens wel. De mannen van de pizza’s, de vriendelijke oudere heer achter de bar van de beach banda, de jongen die over de Optimisten gaat.

De mooiste zeilvereniging van Afrika?

In het bovenstaande proeft u nog steeds een licht gevoel van ongemak over het koloniale karakter van de club, maar ik moet zeggen dat ik er graag kom en dat ik liever bespaar op onze kaasconsumptie (ongeveer dezelfde aanslag op ons maandelijkse budget) dan dat ik de Yacht Club eruit gooi. Of het echt de mooiste zeilvereniging van Afrika is weet ik niet, maar het zou kunnen. Ze ligt aan een uitgestrekte baai met uitzicht over zee. In de verte zie je drie onbewoonde eilandjes. Het slik valt schitterend droog bij eb en er is een schoon strandje met schaduwrijke bomen. Je kunt er aan het strand pizza eten terwijl de kinderen krabjes en heremietkreeften vangen. Je hoort er regenwulpen en zilverplevieren, je ziet er krabplevieren. Je ontmoet er vrienden en ze hebben gin tonic. Wat wil een mens nog meer?

Kinderen met laag tij tijdens zonsondergang.


Oysterbay

06|10|2012 11:06 Om te onthouden

Zes jaar geleden kwamen wij te wonen in Oysterbay, aan de voet van het schiereiland. Ik zal niet zeggen dat het schiereiland sindsdien onherkenbaar veranderd is, maar we leefden toen wel in een andere wereld. In Oysterbay liepen vrijelijk koeien rond. Het buurtschap stond vol met oude, koloniale, boerderijachtige huizen met rode pannendaken. Om de huizen en tuinen stonden geen muren, maar dichte heggen. De meeste wegen waren verhard, maar niet bestraat. Langs de weg stonden telefoonpalen. Kippen en geiten scharrelden rond op zanderige kruispunten. Straatverlichting ontbrak: ‘s nachts was het aardedonker. Met andere woorden: het was je reinste Broek in Waterland, maar dan zonder water.

Glimpjes van dat verleden zijn nog steeds zichtbaar, als stolpboerderijen naast een winkelcentrum. Zo staan de telefoonpalen er nog, net als de elektriciteitspalen. Kleinere wegen zijn nog onverhard. Nog steeds rijden er watertrucks rond, omdat nog niet het hele schiereiland is aangesloten op de waterleiding. Maar het oude, landelijke Oysterbay is definitief weg. Langs de wegen staan eindeloze rijen billboards, die het zicht op de bomen belemmeren. De vervallen koloniale huizen hebben plaatsgemaakt voor appartementengebouwen en executive villa’s. Het eerste wat de ontwikkelaars deden, was het vervangen van de groene heggen voor betonnen muren. Er kwam hoogbouw. Het kan snel gaan, ontwikkeling.

Zwartbonte koe. Groot vriendelijk beest.

Midden in Oysterbay liggen een paar onbebouwde stukjes land, met hoog gras en bomen. De landjes hebben geen functie, ze liggen er gewoon, omringd door wegen die nu geasfalteerd zijn, maar die zes jaar geleden zandwegen waren. Soms zag je er een paar grazende koeien, misschien van een boer die geen gras meer had. Ik vond het erg aardig om zomaar een koe te zien onderweg. Zwartbonte koe. Groot vriendelijk beest. Beweegt langzaam. Je remt mentaal even af, zeg maar. En letterlijk ook, als ze in de berm aan het grazen waren.

Op een van die open plekken is nog iets anders opzienbarends te zien: een boom met, letterlijk, offspring. Om een grote boom staan kleinere bomen van dezelfde soort. Dat dat zomaar mag! Dat ze zomaar mogen groeien waar ze opkomen! Dat ze niet in een rij hoeven te staan! En dat dat gebeurt in een stad met vijf miljoen inwoners! Dat is voor mij de charme van Afrika.

In Dar es Salaam mag het gras hoog en wuivend groeien. Geen manshoge toestanden, maar gewoon, tot de knie. Het geeft het straatbeeld iets vriendelijks, iets landelijks, iets rustgevends. Een soort eeuwig voortdurende meimaand. Toen ik nog in Nederland woonde – meer dan tien jaar geleden inmiddels, alles kan sindsdien veranderd zijn – was men vrij rigoureus en voortvarend in het maaien van gras. Je kon er een paar weken van genieten, maar dan, RATS, ging het eraf. Terwijl wuivend gras veel vrolijker is dan gemillimeterde bermen.

Tips aan Nederlandse planologen

Als ik nou één tip mag geven aan planologen in Nederland, dan is het deze: haal de koeien het dorp in. Kom terug van die strikte scheiding van bebouwd en onbebouwd. Maak kleine weilanden van de plantsoenen en laat er een paar schapen in los. In sommige gemeenten gebeurt dat al: in Krimpen aan de IJssel, bij de Vijverlaan, is zomaar een plasje met riet en zomaar een weilandje met schapen. Leuk!

Een tweede tip: plant bomen langs de weg. Vooral in de bebouwde kom. Bomen? Dat zijn toch die dingen die de zon in je woonkamer wegnemen en die op je huis kunnen vallen? Ja die! Sinds ik in Afrika woon, ben ik bomen meer gaan waarderen. Het effect van bomen op de gemoedstoestand is ongelooflijk. Helaas kom je daar pas achter als ze uit het zicht verdwijnen. Precies dat gebeurde in Oysterbay. Ik merkte dat ik tijdens het rijden onrustig begon te worden – dat heb je wel eens, dat je je bloeddruk letterlijk voelt stijgen – en ik snapte maar niet waarom. Op een gegeven moment viel het kwartje: de billboards! In plaats van de rustgevende groene bladermuur waren schreeuwerige foto’s gekomen in felle kleuren.

Maar de open plekken in Oysterbay zijn er nog. De boom met offspring ook. En er is nog één boer die melk verkoopt, direct van de koe.


test