Recente stukjes

Stukjes in de rubriek ‘Afrika’

Repatriëring

08|01|2017 16:58

“Nederland verlaten en een nieuw leven beginnen aan de andere kant van de wereld is eenvoudiger dan terugkeren in onze samenleving.”

Zo schreef een wetenschapper die op de materie is gepromoveerd. Ik had me dan ook schrap gezet, maar in eerste instantie viel het ons erg mee. Natuurlijk hielp het dat we in zo’n fijn dorpje kwamen te wonen. Ons dorp deed ons in veel opzichten denken aan de expatgemeenschap in Dar es Salaam: de mensen zijn hartelijk en er zijn veel lokale initiatieven.

Expats weten dat ze alleen elkaar hebben

Wat we toen niet inzagen, en nu wel, is dat een regulier dorp – of een andere geografische eenheid – toch op een aantal essentiële aspecten afwijkt van een expatgemeenschap. Net als expats wonen dorpelingen en buurtgenoten in hetzelfde gebied. Het verschil is dat expats weten dat ze het met dát gebied moeten doen, en met de mensen die in dat gebied wonen. De meeste expats hebben hun vrienden en familie immers niet meegenomen naar Afrika. Het gevolg is dat expats in hoge mate openstaan voor nieuwe vriendschappen, dat ze elkaar niet schofferen en dat ze zich op allerlei manieren inzetten voor de gemeenschap. Je moet het samen doen. Er is niemand anders. En dus helpen expats elkaar waar ze kunnen, vieren ze samen Sinterklaas, Koningsdag en Guy Fawkes, en nodigen ze elkaar uit voor Thanksgiving en Hannukah. Als iemand iets organiseert – paaseieren zoeken, een lezing over nachtelijke dierengeluiden – is iedereen welkom: oudgedienden en nieuwkomers, jong en oud.

In Nederland gaat het anders, zelfs in een dorp als het onze. En dat is ook logisch. Het ligt aan ons, niet aan het dorp. Om een voorbeeld te noemen: vanuit mijn expatervaring ga ik er min of meer vanuit dat je na twee goede gesprekken al met iemand bevriend bent. Zo werkt het onder expats in Afrika, maar zo werkt het natuurlijk niet in Nederland. Vriendschappen ontstaan hier volgens een hiërarchie aan stapjes, een beetje zoals daten in de Verenigde Staten: the first date, the second date, the third date enzovoort, elk met eigen voorschriften, do’s and don’ts. Het is vreemd als je een paar stapjes overslaat. Dat doe je niet. Dat is ongepast. Dat overschrijdt de ongeschreven sociale regels.

Het is dus een beetje raar – zo hoorde ik achteraf – om iemand die je een paar keer hebt gesproken uit te nodigen voor een etentje, of om een massa-sms te sturen met de vraag of iemand zin heeft om mee te gaan naar een cursus Lindy Hop. Dat is echt hoogst ongebruikelijk. Wat ook anders is, is dat er in ons dorp mensen zijn die zich aan alle dorpse activiteiten onttrekken. In een expatgemeenschap zou dat ongewoon zijn, maar in Nederland kun je je dat veroorloven: mensen hebben een heel netwerk naast het dorp – familie, middelbareschoolvrienden, vrienden uit de studententijd, sportvrienden, enzovoort – dus de mensen die bij je in de buurt wonen, heb je minder nodig. In expatgemeenschappen heb je elkaar wel nodig. En dat is mooi.

Afrika is zo zoet

Toch zou ik niet meer in Dar es Salaam willen wonen. De hitte! De eeuwige strijd om het stof buiten de deur te houden! De beestjes! Als ik een nieuw pak pasta of tarwebloem opentrek, ben ik blij dat er geen meeltorren in zitten. Als ik ’s avonds het licht in de keuken aandoe, ben ik blij dat de vloer niet is veranderd in één grote krioelende massa nachtmieren, op zoek naar het schaaltje kattenvoer. Maar wat vooral heerlijk is, is dat je in Nederland min of meer veilig bent. Je kunt niet zomaar uit je huis gezet worden, je kunt over straat slenteren of fietsen zonder beroofd te worden, en als je een enorme knal hoort, is dat gewoon vuurwerk en geen ontploffend munitiedepot (twee keer meegemaakt in Dar es Salaam, één raket sloeg in vlakbij ons oude huis). En dan heb ik het nog niet eens over de stroom- en watervoorziening. Het comfortniveau in Nederland ligt gewoon veel hoger.

Maar ook al geniet ik erg van ons nieuwe huis, van ons dorp, van Amsterdam en van onze familie in Nederland, toch denk ik vaak aan Afrika. Ik mis de mensen die we in Afrika hebben leren kennen. De meesten zijn inmiddels zelf ook verhuisd; ze hebben zich letterlijk over de wereld verspreid. Ik mis ook de uitstapjes die we soms maakten in het weekend. Het snorkelen, de heldere zee die zachtjes over je blote voeten kabbelt, de verlaten Robinson Crusoëstranden. De dhows, de mangroves, de onbewoonde eilandjes. Ik denk ook weer vaak aan Zambia. Aan de Zambezi en aan de Afrikaanse geluiden die ik me herinner. En ik droom over nieuwe reizen. Zo zou ik dolgraag nog eens een paar maanden in Botswana willen wonen. De Kalahari ontdekken, de Okavango, de Makgadikgadi Pans… wie weet komt het er nog eens van.


Cultuurschok

31|12|2016 12:23

Het is november 2003. Echtgenoot en ik zitten in een kliniek in Lusaka te wachten tot we aan de beurt zijn. We wonen nu een jaar in Zambia en hebben veel gereisd. In Kasanka hebben we in de wildernis gedoucht, onder een emmer aan een touw. In Blue Lagoon hebben we kilometers gereden over een drooggevallen vloedvlakte. Op Bovu Island hebben we geslapen in de buitenlucht, aan de oever van de Zambezi. En in South Luangwa kampeerden we tussen de nijlpaarden. Nu verwachten we ons eerste kind, en daarom zitten we in de kliniek.

In de wachtkamer ligt één tijdschrift. Het is de Flying Dutchman van KLM. Iemand heeft een stuk uit de cover gescheurd, maar verder is het tijdschrift intact. Samen bladeren we het door. Aangekomen bij een spread, een foto die over de volledige twee pagina’s is gedrukt, houden we stil. Ademloos en gebiologeerd kijken we naar de foto. Na een tijdje zegt Echtgenoot:
– Ongelooflijk he?
– Al die lichtjes!, zeg ik.
– Dat dit op dezelfde wereld ligt, zegt Echtgenoot.
– En dit is nog maar Práág!, zeg ik.

Het is een foto van Praag bij nacht.


Wat bracht je hier?

04|07|2013 09:07

– Wat bracht je hier?
– Je bedoelt in Dar es Salaam?
– Nee, in Afrika.
– O, dat. Nou, eh… ik denk toch het avontuur.

Hoe komt iemand in vredesnaam op het idee om zich in Afrika te vestigen? Afrika, het continent van droogte en ellende, armoede en hongersnood. Het continent waar iedereen in een lemen hutje woont en waar de leeuwen ’s nachts om de palissade sluipen. Het donkere continent. Het continent met de arme kindjes, aan wie we moeten denken als we onze groente niet lusten. Een kind onder de evenaar, is meestal slechts een bedelaar. Dat continent.

Gelukkig hadden mijn ouders en vooral grootouders mij blootgesteld aan andere ideeën over Afrika. Vaak vertelde mijn oma me dromerig over Stanley en Livingstone. Mr Livingstone, I presume? Dat was het moment in de geschiedenis dat ze het liefst had willen meemaken. Boven haar bed hing een foto van de Kilimanjaro, met een olifant op de voorgrond. Gemaakt door opa. In mijn ouderlijk huis was het al niet anders. Thuis werd geciteerd uit Out of Africa en aan een muur hing de staart van een gnoe. Toen ik dertien was, reisde mijn vader op een schip langs de kust van West-Afrika. Ik kon niet mee, ik was te jong, ik zat op school, ik maakte huiswerk.

Zonder dat ik er iets voor hoefde te doen, werd Afrika voor mij dus het continent van de ontdekkingsreizen en de eindeloze vlaktes. Om het woord ‘Afrika’ hing een zweem van avontuur en romantiek. Dit nam nog toe toen ik de originele Tarzanboeken van Edgar Rice Burroughs begon te lezen, waarin iedereen voortdurend achtervolgd wordt door woeste inboorlingen, bloeddorstige leeuwen en moordlustige blanken.

Op een gegeven moment belde Echtgenoot me op mijn werk. Ik zat in een kantoor in Rotterdam. Echtgenoot had een gesprek gehad met zijn nieuwe werkgever. Er was een project voor hem. In Afrika.
– Waar? ademde ik.
Echtgenoot liet een veelbetekenende stilte vallen.
– Wat dacht je van Zambia? klonk het door de telefoon.
Ik kon niet spreken. Ik zag de kopieertafel, de koffiehoek, de bakjes voor in- en uitgaande post. Ik zag de hermetisch afgesloten ruiten, de grijze lucht. Ik beefde zowat.
– Ja, bracht ik uit.
En zo is het begonnen.


KLM is vroeg vandaag

13|12|2012 17:58

Het is avond. Ik schrijf aan mijn bureau, vriendelijk verlicht. Echtgenoot zit in bed te lezen. De kinderen liggen te slapen. Buiten is het stil. Ik hoor alleen het tsjirpen van een krekel, het kwaken van een kikker en het monotone kwie – kwie – kwie van een nachtzwaluw.

Dat is zo mooi aan Afrika: dat de nachten nog stil en donker zijn. Dat je de zee in de verte hoort ruisen. Dat je buiten heel duidelijk Orion aan de hemel ziet staan, en dat je het sterrenbeeld gedurende de nacht ziet overtrekken. Het goede leven in Afrika.
Maar het goede leven verdwijnt. De ontwikkeling rukt op. Ook hier.

Onaangetast | Ontwikkeld

Overtocht over de rivier Benangan | Kleurenlitho van C.F. Kelley, gebaseerd op een schets van Carl Bock, 1887. Collectie Tropenmuseum.

Toen ik nog in Europa woonde, dacht ik serieus dat alleen West-Europa, de Verenigde Staten, Australië en Japan ‘ontwikkeld’ waren. Bij ontwikkeld dacht ik dan aan snelwegen, lichtreclames, musea, concertgebouwen, gespiegeld glas en beton. De andere landen, zo dacht ik, waren nog ‘natuurlijk’, met direct buiten de bebouwde kom uitgestrekte velden, meren en bossen. Ik dacht oprecht dat de helft van de wereld ‘onaangetast’ was.

Het inzicht kwam toen ik een vlucht maakte van Bali naar Java. Over Indonesië had ik nauwelijks iets gelezen. Een paar stukken uit Max Havelaar, de jongensboeken van J.B. Schuil en natuurlijk Bandung Bandung van F. Springer, de enige schrijver die in alle expatboekenkasten staat. Toch had ik allerlei beelden en verwachtingen van Indonesië. Onafzienbare rijstvelden met waterbuffels, zoals op de schilderijen van Walter Spies. Oerwouden met snelstromende rivieren, zoals op de reisschetsen van Carl Bock. Orang-oetans en neushoornvogels, zoals op de plaat ‘Op Borneo’ van Koekoek. Met andere woorden: het Indonesië van de aardrijkskundeles en de geschiedenisboekjes.

Die Landschaft und ihre Kinder | Walter Spies, 1939.

Dat ik dit Indonesië niet vond in Jakarta en Bandung verbaasde me niet. Dat waren steden. Buiten de stad zou het tropisch regenwoud zich ontrollen, vol watervallen en wurgslangen, slechts afgewisseld door de terrassen van de sawahs. Maar tijdens die vlucht over de noordkust van Java kwam ik tot het inzicht dat dát Indonesië niet meer bestaat. Althans, niet daar. Vanuit de lucht was duidelijk te zien dat het regenwoud grotendeels gekapt was. Overal wás wat: dorpen, huizen, wegen, industrie, stukjes ontgonnen land. En dat was in 2000.

Het oorspronkelijke Indonesië is verdwenen. Voor altijd. Net als de Javaanse tijger en de Balinese spreeuw. De Sumatraanse tijger en de Javaanse neushoorn zullen de volgende eeuw ook niet halen. En in Afrika gaat het dezelfde kant op. Met de leeuwen gaat het niet goed, elk jaar worden er tienduizenden olifanten gedood, en dan heb ik het niet eens over de zwarte neushoorn, de kikkers en het koraal.

Na wewe, Africe?

Ik ben een mooi-weer-schrijver. Veel liever schrijf ik over het mooie dan over het moeilijke. Maar ik schrijf nu eenmaal over het expatleven, en een van de moeilijkste aspecten aan dit leven vind ik om van dichtbij te zien hoe de natuur verdwijnt. Niet dat natuur per se onaangetast moet blijven: ik vind natuur het mooist als er iets in staat dat door mensen gemaakt is. Een kerktoren tussen de bomen, een watermeter in een moeras, irrigatiekanaaltjes in een oase. Maar het moet wel in balans zijn.

In Tanzania wordt gevist met dynamiet. Afval wordt niet opgehaald, maar gedumpt in bermen en rivieren. Bomen worden gekapt op een schaal die onvoorstelbaar is. Eindeloze zwartgeblakerde vlakten met boomstompjes. Met ontwikkeling heeft dit niets te maken. Het heeft te maken met armoede, gebrek aan kennis, bevolkingsgroei, onwil, onmacht en zucht naar geld. Uw expat in Afrika blijft hieronder niet onaangedaan. Wat gebeurt er met de eenzame plaatsen en verborgen eilanden waar een dwaas kan leven en dankbaar kan zijn voor zijn uitzonderlijk bestaan? Weldra zal de morgenruis van de zee overstemd worden door het gedreun van de snelweg. Ook in Dar es Salaam moet je uiterlijk om half zeven ’s morgens vertrekken om niet in de file te staan. Na wewe, Africe?

In de lucht klinkt het geluid van een laagvliegend vliegtuig. Echtgenoot kijkt op zijn horloge. Het is tien over tien.
– KLM is vroeg vandaag, merkt hij op.

Misschien komt deze avond nooit meer terug. De stilte, de duisternis, de natuurgeluiden. Dat je van elk overkomend vliegtuig weet van welke maatschappij het is en of hij op schema ligt. Het goede leven in Afrika – hoe lang nog?


Het leven is van een ongekende innigheid

07|12|2012 08:37

Een lezer van deze blog stuurde me het volgende fragment.

Het leven is van een ongekende innigheid.

Ergens loopt een scheidslijn die ons verdeelt in burgers en avonturiers. Burgers zullen het geluk en de charme van dit bestaan nooit begrijpen. Zij missen het comfort van de steden, de ijsfabrieken, het electrische licht, scholen, doktoren en de bioscoop, waar men de romantiek van een verlaten eiland vanuit een diepe fauteuil en voor een avond aangenaam kan genieten.

Met de avonturiers valt te praten, zij begrijpen het genot van een tocht in een lekke prauw, de opwinding van een onverwacht schot en de schreeuw van een stervend dier, het ongemak van regens, bandjirrende rivieren en een lekkend dak. Want wiens leven licht is door de genade van het avontuur, voelt een heimwee in de steden en de bewoonde plaatsen en een lichte wrevel om het onglorieuze bestaan, beveiligd en zonder risico’s. Ze waren de verloren zonen, die uitzeilden en stierven en de koloniën zijn overzeese gewesten geworden en avonturiers worden er het liefst geweerd.

Gelukkig zijn hier en daar nog eenzame plaatsen en verborgen eilanden, waar een dwaas kan leven en danken voor de genade van zijn uitzonderlijk bestaan.

De passage komt uit Het laatste huis van de wereld van Beb Vuyk (1954). Beb Vuyk was een Nederlandse schrijfster, geboren in Rotterdam, die lange tijd op de Molukken woonde.
Jaren geleden, tijdens een reis door de Sahara, ontmoette ik een bioloog die zelf ook op de Molukken had gewoond. Steeds opnieuw begon hij tegen me over Beb Vuyk. Toen begreep ik niet waarom. Nu wel.


Vijf hardnekkige misverstanden over Afrika

04|11|2012 20:40

Sommige vooroordelen staan zo ver af van de werkelijkheid dat je er het liefst een generalisatie tegenaan gooit om het contrast aan te tonen. In dit stukje zal ik proberen om vijf hardnekkige misverstanden over Afrika uit de weg te ruimen.

1. Afrikanen wonen in lemen hutjes. Overdag jagen de mannen in het oerwoud. De vrouwen dragen rieten rokjes en roeren de hele dag in een grote pot. ‘s Nachts sluipen de leeuwen om de palissade.

Ik ga even genuanceerd zijn. Er zijn inderdaad lemen hutjes in Afrika. En helemaal niet in de een of andere negorij op honderden kilometers afstand van de bewoonde wereld. Integendeel: op veertig kilometer van Dar es Salaam zit je er al middenin. Maar leeuwen zijn daar niet. Die zijn allang weg. Alleen in de wildparken zijn nog leeuwen. Palissades zijn er ook niet. Die mythe is denk ik gebaseerd op de Tarzanboeken van Edgar Rice Burroughs en op de film King Solomon’s Mines. Daar komt natuurlijk ook die grote pot vandaan. Wel heeft de Afrikaan meer dan de Europeaan de behoefte om zijn huis te omheinen met een muur. Zou dat terug te brengen zijn op de oerpalissade, uit de tijd dat leeuwen en mensen nog in dezelfde omgeving woonden? Wie weet. In elk geval: de meeste Afrikanen wonen niet in lemen hutjes, maar in stenen huizen, gemaakt van cementblokken, met een golfplaten dak en een enkel raam. Veel van die huizen zijn zo klein en armoedig dat wij het hutjes zouden noemen. Maar er zijn ook Afrikanen die in enorme villa’s wonen, of in appartementengebouwen. Gek he, bij het woord appartementengebouw denk je nou helemaal niet aan Afrika. Terwijl ze hier bij bosjes uit de grond gestampt worden.

2. Afrikanen zijn meesters in het repareren van oude spullen

Het is zo’n mooi idee en ook zo logisch: mensen die niet veel bezitten zijn zuinig op wat ze hebben en repareren alles. Nu zijn er vast Afrikanen die dat inderdaad doen, maar mijn ervaring is juist dat er weinig gerepareerd wordt en dat datgene wat gerepareerd wordt er na de reparatie zelden beter aan toe is dan ervoor. Een mooi voorbeeld zijn de Toyota Corolla’s die je hier soms ziet, met drie normale wielen en één wiel van het formaat kruiwagen. Het rijdt, maar het is een potsierlijk gezicht. In Gambia zaten we eens in een bushtaxi die gerepareerd werd met een schoenveter. Meesters in het repareren? Nee, meesters in het improviseren.

3.  Afrikanen zijn niet bang voor dieren

Je zou het denken he? Zo’n continent vol olifanten, bavianen en slangen: die mensen deinzen vast niet terug voor een spinnetje. Nou vergeet het maar. Ik heb opvallend veel Afrikanen ontmoet die bang zijn voor honden of zelfs voor poezen, en die niet binnen driehonderd meter van een rivier durven komen. De doorsnee Afrikaan denkt dat elk insect steekt of bijt en dat elk insect giftig is. Ze zijn er zo van overtuigd dat spinnen bijten, oorwurmen steken en tunkululu’s (reuzenmiljoenpoten) giftig zijn, dat ik aan mezelf begon te twijfelen en op internet ging zoeken. Zij zullen het toch wel beter weten dan ik? Het blijkt dat tunkululu’s niet steken: ze geven alleen kleur af. Over de oorwurmen ben ik niet zeker. De tien centimeter lange oorwurm die een half uur lang in mijn zoons schoen zat, heeft hem in elk geval niet gestoken.

4. Het is altijd en overal warm in Afrika

Helaas, dit is een misverstand. Toen echtgenoot en ik in 2002 voor vier maanden naar Zambia gingen, hadden we alleen zomerkleren meegenomen. Dat hebben we geweten. In mei werd het koud: ‘s nachts was het tien graden Celsius. Ons huis had geen verwarming en de ramen bestonden uit kantelbare stroken glas die niet goed afsloten. Oftewel: tocht, kou, ellende. Het woord ‘laagjes’ kreeg nieuwe dimensies. Ik wist niet dat je zo naar een spijkerbroek kunt verlangen.

5. In Afrika wonen zwarte mensen

Dat is ontegenzeglijk waar. Maar in Afrika wonen ook witte, gele en bruine mensen. Als Afrikaanse studenten overseas gaan studeren, kan dit tot grappige misverstanden leiden.
– Hi, where you from?
– Africa.
– You can’t be! You’re blond!
– Still, I’m from Africa.
– Are you an expat?
– No, I am Kenyan/Malawian/Zambian/…

Het ligt voor de hand te denken dat die blonde Afrikanen dan wel uit Zuid-Afrika of Zimbabwe zullen komen, en allicht geldt dat voor het merendeel, maar er zijn ook blonde Kenianen, Zambianen enzovoort.

In Afrika zijn ook veel Indiërs. Tanzaniaanse Indiërs, Keniaanse Indiërs, Zambiaanse Indiërs en Indiërs die hun Indiase nationaliteit hebben behouden maar in Afrika wonen. Ghandi woonde in Afrika! Indiërs in Afrika zijn vaak ondernemer, en vaak succesvol. Wat dat betreft heeft hun maatschappelijke positie wel wat weg van die van joden in de vorige eeuwen in Europa. Of begeef ik me hiermee op glad ijs…?

Maar het allerhardnekkigste misverstand is dat Afrika goedkoop is. Daar ga ik een volgende keer over schrijven.


Espresso in de tropen

12|10|2012 13:27

Het leven is een doffe aaneenschakeling van desillusies.

Jans (van Jan, Jans en de kinderen), toen er een wolkje voor de zon kwam

In Tanzania gaat alles traag. Om dit te illustreren komt hier de analogie van de boor. Dit is wat er gebeurt als je in Tanzania een schilderijtje wilt ophangen.

Het is zaterdagochtend. Kwiek en uitgerust ben je wakker geworden. De dag strekt zich leeg en vrij voor je uit. Opgewekt besluit je om eerst eens dat schilderijtje op te hangen dat al maanden op de grond staat. Je pakt de boor en tekent een gaatje af. Als je de boor in de aanslag hebt, gebeurt er niets. Wat blijkt? De batterij is leeg. Hmm. Kleine tegenslag, maar niets om je door uit het veld te laten slaan.

De oplader van de boor ligt niet in de pantry. Echtgenoot heeft hem zeker niet op de vaste plek teruggelegd. Je vraagt Echtgenoot om in het hok van het tuingereedschap te kijken. Hmmm, daar istie ook niet. In de zak met oude opladers misschien? Even kijken: oplader van filmcamera, oplader van harddisk, oplader van oude mobiel, waarom bewaren we die dingen in godsnaam, oplader van babyfoon, oplader van… Dit zou hem kunnen zijn. Nee, past niet. Waar is die !@#$% oplader? Misschien boor met oplader uitgeleend aan de buurman, maar alleen boor teruggekregen? Je wandelt naar de buurman. Nee, buurman heeft hem niet. Andere buurman? Is niet thuis, maar neemt wel zijn mobiel op. Zal vanmiddag kijken. Zucht. Zou het er nog van komen vandaag?

Een paar uur later heeft Echtgenoot een heldere ingeving: oplader kan nog op een andere plek liggen. Klopt! Kort moment van euforie. Oplader aangesloten op stopcontact, boor laadt op. Twee uur later blijkt boor het nog steeds niet te doen. Stroom was uitgevallen. Boehoehoe. Daar sta je met je goede voornemens. Morgen dan maar.

Zo gaat het nou altijd in Tanzania. Op elk initiatief, op elk sprankje hoop volgt een desillusie, of een aaneenschakeling van desillusies. In het voorbeeld heeft het slachtoffer het deels aan zichzelf te danken (oplader ligt niet op vaste plaats), maar het gaat erom dat het in Tanzania nou nooit eens MEEZIT, dat er altijd onverwachte obstakels op de weg zijn, die, hoe onbeduidend ook, voor vertraging zorgen. Je moet ontzettend optimistisch van aard zijn om de tegenslagen het hoofd te bieden en de moed niet te verliezen. En je moet tijd hebben.

De analogie van het espressoapparaat

Vooruit, nog een analogie, de analogie van het espressoapparaat. Het is 2006, we wonen net in het huis aan Zambia Road en mijn nieuwe Engelse vriendin komt voor het eerst op bezoek. In die tijd dacht ik nog dat je voor Engelsen alles uit de kast moet halen, dus ik heb boterkoek gebakken en hoef nu alleen koffie te zetten. Vriendin, kinderen van vriendin en eigen kinderen parkeer ik in de woonkamer en ik rep me naar de keuken.

Het huis is nieuw, wij zijn de eerste bewoners na de renovatie. In de keuken zit één stopcontact. Het zit niet boven het aanrecht maar op anderhalve meter hoogte tegen een vrije muur. Zo logisch! Een timmerman is voor ons een tafeltje aan het timmeren voor onder dat stopcontact, maar we zitten in een landelijke stroomcrisis dus hij kan niet werken overdag (er is alleen stroom na zonsondergang). De timmerman is hierdoor noodgedwongen ‘s nachts gaan werken, maar dat was niet de bedoeling van de stroomrantsoenering, en dus heeft de overheid een verordening uitgevaardigd dat er ‘s avonds en ‘s nachts niet gewerkt mag worden.

Het directe resultaat is dat we geen tafeltje hebben en dat ik een andere manier moet vinden om het espressoapparaat omhoog te brengen, naar het stopcontact dat daar in de lucht hangt. Ik zet het houten keukentrapje bij de muur, balanceer het espressoapparaat op het trapje – zwaar ding nog – en span het snoer recht omhoog. Hij haalt het net.

Nu de tuin in om de generator aan te zetten. Het is een handmatige generator die we alleen aanzetten als we stroom nodig hebben. Het is alleen nogal een onderneming om hem te starten. Eerst moet ik de tuin in. Aan de andere kant van de tuin – het is een tuin van een hectare moet je weten, geen kinderachtig achtertuintje – moet ik het hek van het generatorhok opendoen met een sleutel. Het hok zit op slot om te voorkomen dat mensen de diesel stelen. Dan moet ik een knopje indrukken, een andere sleutel in de generator steken en de sleutel een kwartslag draaien. Maar… de generator start niet. De diesel is op. Terug naar de keuken voor de sleutel van het opslaghok van de jerrycans. Inmiddels heeft de tuinman me gezien en hij komt me helpen. Hij draagt de jerrycans en vult de generator bij. Ik ontsteek de generator. Een enorm lawaai vult de lucht, moment van opluchting, en ik haast me terug naar de keuken, ook omdat ik bang ben dat een van de kinderen het espressoapparaat omver zal lopen als het onverhoeds de keuken binnenkomt.

Ondanks het overduidelijke geronk in de tuin is er geen stroom in de keuken. Hmmm… Oja, ik moest eerst de waterpompen uitschakelen: de generator heeft niet genoeg vermogen om de waterpompen te ondersteunen. De schakelaars van de waterpompen zitten op twee verschillende plaatsen in de tuin. Ik ben nu een beetje opgelaten vanwege mijn wachtende vriendin dus ik schreeuw naar de tuinman dat hij de waterpompen in de tuin moet uitschakelen en de generator daarna opnieuw moet starten, maar hij hoort me niet vanwege het lawaai van de generator, dus ik zal zelf opnieuw de tuin in moeten. Grrretverdrie. Ik ren op en neer naar de waterpompen en daarna naar de generator – had ik al verteld dat het een grote tuin is? – en ik denk aan wachtende vriendin plus balancerend espressoapparaat. Als de generator het doet en ik ook daadwerkelijk elektriciteit heb, kan ik eindelijk koffie en thee zetten. Daarna moet ik natuurlijk eerst de tuin in om de generator uit te schakelen, maar toen was er koffie. Rust. Stilte. Vrede.

Oplettende lezertjes zullen opmerken dat je toch ook koffie kunt zetten zonder espressoapparaat? Wat is er gebeurd met de fluitketel en de cafetière? Ze hebben gelijk, natuurlijk. Alleen had ik geen filterhouder in huis en ook geen cafetière. In die tijd kostte een cafetière in Dar es Salaam iets van vijftig euro – een van de hardnekkigste misverstanden over Afrika is dat het leven hier zo goedkoop is – en dus wachtte ik met mijn aankoop tot we weer in Nederland waren. IKEA, acht euro negentig. De zegeningen van een consumptiemaatschappij.


I don’t mind no power

28|09|2012 09:56

I don’t mind no water, I don’t mind no power, I am just so happy to live here. We’re so lucky.

zei mijn vriendin uit de grond van haar hart. Ik was het helemaal met haar eens. Inténs eens, waren we het. Allicht is dit voor de onvermoede lezer moeilijk voor te stellen, na alle berichten over no power, no water. Zitten er soms aspecten aan Afrika die hier tegenop wegen? Of is het, o horror, is het misschien juist dat no water, no power dat het leven… aantrekkelijk maakt?

Ik voel heel duidelijk wat er zo bijzonder is aan deze plek, maar ik kan het moeilijk onder woorden brengen. Als ik erover brainstorm vallen me woorden in als: saamhorigheid, bomen, koeien, de ongeorganiseerdheid, vriendschap, de mazen van het net, het vleugje avontuur, de zee, de stranden, en leven in een min of meer pre-industriële samenleving. Aan elk van deze woorden kan ik een blogpost wijden, maar de vraag is of ik het ooit invoelbaar kan maken. Een van mijn grootste frustraties is dan ook dat ik mijn Nederlandse vrienden geen deelgenoot kan maken van wat ik zie, voel, hoor, ruik, ervaar, maar vooral zie.

Wat is er dan zo bijzonder aan het leven hier? Waar zit ‘m die magie in? Heeft het te maken met ver weg van thuis zijn? Met de benefits van het expatleven? Met het klimaat?

Een vleugje avontuur

Voor mij is het vooral het vleugje avontuur dat over het dagelijks bestaan hangt. Dat niet alles altijd gaat zoals je verwacht. Dat er soms geen stroom is of geen water. Dat je dat blijmoedig kunt accepteren, dat je dat eenvoudig het hoofd kunt bieden. Primitief leven geeft meerwaarde aan het bestaan, dat weet elke kampeerder. Je staat net even in een andere mode, je bent net even alerter, zoals de vogelaar die achter een raam zit te werken maar toch de lucht in de gaten houdt.

Echt avontuurlijk is mijn leven natuurlijk niet. Mijn dagen bestaan uit opstaan, kinderen naar school helpen, thuis achter mijn opgeruimde bureau aan het werk gaan, cappuccino erbij, een vergadering bijwonen of voorzitten, kinderen ophalen, van ze houwen, ze helpen met huiswerk, op en neer naar de Nederlandse school, boodschappen doen, het avondritueel, en daarna nog even het internet op tot de slaap het wint van de productiviteit.

Avontuurlijk is anders. Maar als het avontuur bestaat uit het slapen onder een muskietennet, uit het horen van de kreet van een overvliegende Afrikaanse Zeearend, uit dagelijks de Indische oceaan zien, en de horizon, en de handkarren op de weg, en de fietsers met manden vol kokosnoten; als avontuur bestaat uit elke week vrienden en nieuwe mensen ontmoeten, als avontuur betekent blij zijn met een bakje aardbeien, sawa, dan ben ik tevreden.


Organisch en krom

19|04|2010 07:44

In 1989 was ik voor het eerst in Parijs. Ik herinner me dat het nogal een schok was om de Parijse trottoirs te zien. Ze waren geasfalteerd, uitgesleten en scheef. Dit kan niet waar zijn!, dacht ik. Dit soort stoepen associeerde ik met derdewereldlanden. Eerstewereldlanden hadden net als Nederland keurig betegelde stoepen, ik wist het zeker. Vierkant, recht en strak. Zo moest het zijn. Maar al snel vond ik de Parijse trottoirs verfrissend. Zo kan het dus ook! In Parijs realiseerde ik me dat ik meer houd van organisch en krom dan van recht en hoekig.

Ook mijn oude studentenhuis in Rotterdam was organisch en krom. In de muren zaten scheuren, er waren van hoog tot laag lekkages, een wasbak brak af, een plafond kwam eens naar beneden zetten, de verwarmingsbuizen moesten elke week worden ontlucht en sommige goten en afvoerputjes waren doorlopend verstopt. In veel opzichten was het een krot, ik geef het toe. Het was ook een labyrint: een doolhof van trappenhuizen, gangetjes, hokjes en halletjes. Ik had vrienden die na meerdere bezoeken nog steeds de douche in liepen als ze de uitgang zochten. Toch was dit huis, dit organische samenraapsel van trappen, kamers, keukens en kelders, me liever dan een nette mooibehangen meisjeskamer in een keurig studentenhuis. Het leefde en het zat vol verrassingen. Het had de potentie om iets weergaloos te worden. Iets zonder weerga. Het Huis der Huizen. Overal zag ik mogelijkheden om het huis te verbeteren. Met behoud van het organische, de vertrouwde geur, de scheefheid, de trappen en de hele structuur.

Afrika is als mijn oude studentenhuis. Het is een levendig samenraapsel van mensen, culturen, bomen, bochten, landschappen, mooie luchten, fietsen, handkarren, tuktuks en SUV’s. Het zit vol verrassingen: je weet nooit wat je na de volgende bocht aantreft. In Afrika kun je dagenlang zonder water of elektriciteit zitten (vannacht nog). In de wegen zitten kuilen, waterafvoeren zijn verstopt, overheidsdiensten functioneren niet. In sommige opzichten is het een krot, ik geef het toe, maar het heeft de potentie om iets weergaloos te worden. Iets zonder weerga. Het Continent der Continenten. Overal zie ik mogelijkheden om het te verbeteren. Met behoud van het organische, de geuren, de bomen, de mensen en de hele structuur.

In Afrika is niets strak en recht. Afrika is organisch en krom. En daarom houd ik er zo van.


Een staaltje goede service

20|10|2009 10:22

 

– Hello Mama?
– Yes?
– How are you now?
– I am fine. Who’s speaking?
– It’s Swaziland Electricity Company!
– Ah… the electricity company. How can I help you?
– We had a power cut yesterday.
– Yes, I noticed.
– Has your power been restored now?
– Yes, it has actually, thanks.
– Okay, this was just to check if your power had been restored.
– Thanks. Are you calling the whole village?

Het is ongelooflijk maar waar: als in Big Bend de elektriciteit een paar uur uitviel, belde het elektriciteitsbedrijf de volgende dag even op voor, laten we zeggen, nazorg. Ik ben nooit te weten gekomen of ze iedereen in het dorp belden of dat wij een voorkeursbehandeling kregen, maar ik sluit niets uit. In sommige opzichten is de service in Afrika ongekend.

Met de telefoonlijn ging het precies hetzelfde. Weliswaar duurde het maanden voordat we een telefoonlijn hadden en de verbinding deed het dan nog eens vaak niet, maar als ik een storing doorbelde, kwamen ze nog dezelfde middag. Vervolgens bleven ze nog drie dagen lang elke dag controleren of de lijn werkte:
– Hello, it’s Ben.
– Hello Ben, how are you?
– I am fine. I am from the phone company.
– I know. How can I help you?
– Your phone is working.
– Yes, it is.
– I just wanted to check.
– Okay, thank you.
– Have a nice day!
– Same to you.

En verder kun je weer met je dag. In Afrika heb ik al veel staaltjes goede service meegemaakt, maar als Nederlander stond ik hier toch weer van te kijken. Het is één en al vriendelijkheid, niet alleen in Swaziland maar ook hier in Tanzania. Zo beschik ik over het directe nummer van de area manager van het waterleidingbedrijf. Als ik geen water heb, kan ik hem direct bellen op zijn mobiele telefoon. “Ik zit nu in de auto, maar over twintig minuten ben ik op kantoor”. Geweldig. Geen bandjes, geen eindeloze doorverbindingen met medewerkers en afdelingen, gewoon het nummer van de man die erover gaat. Het is alleen de vraag of dit haalbaar zou zijn in een land met miljoenen mondige mensen…

 


test