Recente stukjes

Archief voor July, 2013

Wat bracht je hier?

04|07|2013 09:07

– Wat bracht je hier?
– Je bedoelt in Dar es Salaam?
– Nee, in Afrika.
– O, dat. Nou, eh… ik denk toch het avontuur.

Hoe komt iemand in vredesnaam op het idee om zich in Afrika te vestigen? Afrika, het continent van droogte en ellende, armoede en hongersnood. Het continent waar iedereen in een lemen hutje woont en waar de leeuwen ’s nachts om de palissade sluipen. Het donkere continent. Het continent met de arme kindjes, aan wie we moeten denken als we onze groente niet lusten. Een kind onder de evenaar, is meestal slechts een bedelaar. Dat continent.

Gelukkig hadden mijn ouders en vooral grootouders mij blootgesteld aan andere ideeën over Afrika. Vaak vertelde mijn oma me dromerig over Stanley en Livingstone. Mr Livingstone, I presume? Dat was het moment in de geschiedenis dat ze het liefst had willen meemaken. Boven haar bed hing een foto van de Kilimanjaro, met een olifant op de voorgrond. Gemaakt door opa. In mijn ouderlijk huis was het al niet anders. Thuis werd geciteerd uit Out of Africa en aan een muur hing de staart van een gnoe. Toen ik dertien was, reisde mijn vader op een schip langs de kust van West-Afrika. Ik kon niet mee, ik was te jong, ik zat op school, ik maakte huiswerk.

Zonder dat ik er iets voor hoefde te doen, werd Afrika voor mij dus het continent van de ontdekkingsreizen en de eindeloze vlaktes. Om het woord ‘Afrika’ hing een zweem van avontuur en romantiek. Dit nam nog toe toen ik de originele Tarzanboeken van Edgar Rice Burroughs begon te lezen, waarin iedereen voortdurend achtervolgd wordt door woeste inboorlingen, bloeddorstige leeuwen en moordlustige blanken.

Op een gegeven moment belde Echtgenoot me op mijn werk. Ik zat in een kantoor in Rotterdam. Echtgenoot had een gesprek gehad met zijn nieuwe werkgever. Er was een project voor hem. In Afrika.
– Waar? ademde ik.
Echtgenoot liet een veelbetekenende stilte vallen.
– Wat dacht je van Zambia? klonk het door de telefoon.
Ik kon niet spreken. Ik zag de kopieertafel, de koffiehoek, de bakjes voor in- en uitgaande post. Ik zag de hermetisch afgesloten ruiten, de grijze lucht. Ik beefde zowat.
– Ja, bracht ik uit.
En zo is het begonnen.


Dar es Salaam Yacht Club

01|07|2013 20:04

In je studententijd zijn er van die kroegen die aanvoelen als een verlengstuk van je studentenhuis. Je hebt er je favoriete plekje, het personeel groet je als je binnenkomt, je kent de incrowd en op de wc weet je precies welke tegeltjes los zitten. In Dar es Salaam bestaat ook zo’n gelegenheid, maar het is geen café. Het is de Yacht Club.

Het fenomeen Yacht Club

In Rotterdam bestond destijds – en bestaat waarschijnlijk nog steeds – een zeilvereniging waar een waas van elitair omheen hing. De naam werd voornaam uitgesproken, met Hoorbare Hoofdletters: De Maas, uit te spreken als Maes. Ik ben er nooit geweest, maar uit de flarden die ik erover opving maakte ik op dat het ging om een Besloten Club. Ik stelde me er een bruin café bij voor, met een houten stuurrad aan de muur, whisky uit het vat en een koperen bel boven de bar. Bij de clientèle dacht ik aan mannen met snor en kapiteinspet die hard lachten en elkaar sterke verhalen vertelden.

Twee weken geleden. Terwijl de ouders genieten van een gin tonic, spelen de kinderen op het strand van de Yacht Club. Met hoog water kunnen ze zwemmen en kayakken. Met laag water verzamelen ze zeekomkommers, zee-egels, zeesterren en visjes, voor in het zelfgemaakte strandaquarium.

Pas twintig jaar later kon ik mijn vooroordelen toetsen aan een andere zeilvereniging, de Dar es Salaam Yacht Club, door mijn zoon consequent uitgesproken als Joht Clab. Ik werd niet teleurgesteld. Er is een bruine bar met een koperen bel, een houten stuurrad en vijf soorten whisky ondersteboven in maatschenkers. Toch blijkt het in de praktijk informeler dan je zou verwachten. Om maar wat te noemen: op de Yacht Club eet je geen garnalencocktails en carpaccio, maar pizza en friet. De douches en wcs zijn niets om over naar huis te schrijven en de leden lopen rond op teenslippers. Om lid te worden moet je weliswaar een klein fortuin op tafel leggen en twee leden vinden die je willen introduceren, maar in de praktijk kan iedereen lid worden, van welke nationaliteit of huidskleur dan ook. De meeste expats zetten zich dan ook over hun aanvankelijke aversie heen en worden lid.

Koloniaal

Koloniaal is het ondertussen wel. Zo hoef je op de Yacht Club je eigen boot niet op te tuigen. Je belt vanuit huis even naar je boat boy (officiële naam!) met de vraag of hij je boot zeilklaar maakt, en als je aankomt staat de boot opgetuigd en wel voor je gereed. Ook aftuigen en schoonmaken doet de boat boy voor je. Indien gewenst kan hij een nieuw verfje regelen of iets laten repareren. Voor dit alles betaal je hem een maandelijks bedrag dat vermoedelijk minder is dan wat een zestienjarige in Nederland verdient met een avondje babysitten. Weliswaar krijgen boat boys daarnaast een salaris van de Yacht Club en werken ze voor verschillende mensen tegelijk, maar toch, een vetpot kan het niet zijn.

Boat boys

Wat mij meer dwars zit, is dat boat boys over het algemeen niet worden gegroet. Terwijl het een voorschrift is van de Yacht Club dat leden elkaar groeten (de club heeft talloze lawsby-laws, rules en regulations), en terwijl groeten in Tanzania zo belangrijk is! De boat boys lijken er overigens niet in het minst mee te zitten: zij minden hun boat business en bemoeien zich niet met de leden. In hun blauwe overalls bewegen ze zich zelfverzekerd over het terrein. Als ik eens een groepje gedag zeg, is de respons ongemakkelijk. Ze lijken mijn groet volkomen overbodig te vinden. Kennelijk accepteren ze het als een gegeven dat er twee duidelijk te onderscheiden groepen zijn op de Yacht Club: enerzijds de boat boys in hun blauwe overalls, anderzijds de leden, voornamelijk expats, in zeil- of zwemkleding. Wat het ongemakkelijk maakt, is dat de boat boys toevallig allemaal zwart zijn en de leden stomtoevallig vrijwel allemaal wit.

Of is dat mijn eigen geconditioneerdheid? Als ik in Nederland een garage binnenkom, voel ik me niet verplicht om alle monteurs te groeten. In een supermarkt groet ik niet alle vakkenvullers. De vakkenvullers zitten daar ook niet op te wachten: zij stellen een bepaalde onzichtbaarheid juist op prijs – ik weet dat omdat ik zelf vakkenvuller ben geweest. In de geografische eenheid van een supermarkt liggen bij wijze van spreken twee plattegronden over elkaar: die van de klanten en die van de vakkenvullers. Elke plattegrond heeft zijn eigen ingang en zijn eigen looproutes. Over de ene plattegrond bewegen zich de klanten, over de andere plattegrond de vakkenvullers, en zij zien elkaar slechts als vermijdbare objecten. Iets dergelijks is aan de hand op de Yacht Club.

Ontbijten in de beach banda met uitzicht over het drooggevallen slik. Op de achtergrond het onbewoonde eilandje Bongoyo.

De leden en het bedienend personeel groeten elkaar overigens wel. De mannen van de pizza’s, de vriendelijke oudere heer achter de bar van de beach banda, de jongen die over de Optimisten gaat.

De mooiste zeilvereniging van Afrika?

In het bovenstaande proeft u nog steeds een licht gevoel van ongemak over het koloniale karakter van de club, maar ik moet zeggen dat ik er graag kom en dat ik liever bespaar op onze kaasconsumptie (ongeveer dezelfde aanslag op ons maandelijkse budget) dan dat ik de Yacht Club eruit gooi. Of het echt de mooiste zeilvereniging van Afrika is weet ik niet, maar het zou kunnen. Ze ligt aan een uitgestrekte baai met uitzicht over zee. In de verte zie je drie onbewoonde eilandjes. Het slik valt schitterend droog bij eb en er is een schoon strandje met schaduwrijke bomen. Je kunt er aan het strand pizza eten terwijl de kinderen krabjes en heremietkreeften vangen. Je hoort er regenwulpen en zilverplevieren, je ziet er krabplevieren. Je ontmoet er vrienden en ze hebben gin tonic. Wat wil een mens nog meer?

Kinderen met laag tij tijdens zonsondergang.


test