Recente stukjes

Archief voor December, 2012

KLM is vroeg vandaag

13|12|2012 17:58

Het is avond. Ik schrijf aan mijn bureau, vriendelijk verlicht. Echtgenoot zit in bed te lezen. De kinderen liggen te slapen. Buiten is het stil. Ik hoor alleen het tsjirpen van een krekel, het kwaken van een kikker en het monotone kwie – kwie – kwie van een nachtzwaluw.

Dat is zo mooi aan Afrika: dat de nachten nog stil en donker zijn. Dat je de zee in de verte hoort ruisen. Dat je buiten heel duidelijk Orion aan de hemel ziet staan, en dat je het sterrenbeeld gedurende de nacht ziet overtrekken. Het goede leven in Afrika.
Maar het goede leven verdwijnt. De ontwikkeling rukt op. Ook hier.

Onaangetast | Ontwikkeld

Overtocht over de rivier Benangan | Kleurenlitho van C.F. Kelley, gebaseerd op een schets van Carl Bock, 1887. Collectie Tropenmuseum.

Toen ik nog in Europa woonde, dacht ik serieus dat alleen West-Europa, de Verenigde Staten, Australië en Japan ‘ontwikkeld’ waren. Bij ontwikkeld dacht ik dan aan snelwegen, lichtreclames, musea, concertgebouwen, gespiegeld glas en beton. De andere landen, zo dacht ik, waren nog ‘natuurlijk’, met direct buiten de bebouwde kom uitgestrekte velden, meren en bossen. Ik dacht oprecht dat de helft van de wereld ‘onaangetast’ was.

Het inzicht kwam toen ik een vlucht maakte van Bali naar Java. Over Indonesië had ik nauwelijks iets gelezen. Een paar stukken uit Max Havelaar, de jongensboeken van J.B. Schuil en natuurlijk Bandung Bandung van F. Springer, de enige schrijver die in alle expatboekenkasten staat. Toch had ik allerlei beelden en verwachtingen van Indonesië. Onafzienbare rijstvelden met waterbuffels, zoals op de schilderijen van Walter Spies. Oerwouden met snelstromende rivieren, zoals op de reisschetsen van Carl Bock. Orang-oetans en neushoornvogels, zoals op de plaat ‘Op Borneo’ van Koekoek. Met andere woorden: het Indonesië van de aardrijkskundeles en de geschiedenisboekjes.

Die Landschaft und ihre Kinder | Walter Spies, 1939.

Dat ik dit Indonesië niet vond in Jakarta en Bandung verbaasde me niet. Dat waren steden. Buiten de stad zou het tropisch regenwoud zich ontrollen, vol watervallen en wurgslangen, slechts afgewisseld door de terrassen van de sawahs. Maar tijdens die vlucht over de noordkust van Java kwam ik tot het inzicht dat dát Indonesië niet meer bestaat. Althans, niet daar. Vanuit de lucht was duidelijk te zien dat het regenwoud grotendeels gekapt was. Overal wás wat: dorpen, huizen, wegen, industrie, stukjes ontgonnen land. En dat was in 2000.

Het oorspronkelijke Indonesië is verdwenen. Voor altijd. Net als de Javaanse tijger en de Balinese spreeuw. De Sumatraanse tijger en de Javaanse neushoorn zullen de volgende eeuw ook niet halen. En in Afrika gaat het dezelfde kant op. Met de leeuwen gaat het niet goed, elk jaar worden er tienduizenden olifanten gedood, en dan heb ik het niet eens over de zwarte neushoorn, de kikkers en het koraal.

Na wewe, Africe?

Ik ben een mooi-weer-schrijver. Veel liever schrijf ik over het mooie dan over het moeilijke. Maar ik schrijf nu eenmaal over het expatleven, en een van de moeilijkste aspecten aan dit leven vind ik om van dichtbij te zien hoe de natuur verdwijnt. Niet dat natuur per se onaangetast moet blijven: ik vind natuur het mooist als er iets in staat dat door mensen gemaakt is. Een kerktoren tussen de bomen, een watermeter in een moeras, irrigatiekanaaltjes in een oase. Maar het moet wel in balans zijn.

In Tanzania wordt gevist met dynamiet. Afval wordt niet opgehaald, maar gedumpt in bermen en rivieren. Bomen worden gekapt op een schaal die onvoorstelbaar is. Eindeloze zwartgeblakerde vlakten met boomstompjes. Met ontwikkeling heeft dit niets te maken. Het heeft te maken met armoede, gebrek aan kennis, bevolkingsgroei, onwil, onmacht en zucht naar geld. Uw expat in Afrika blijft hieronder niet onaangedaan. Wat gebeurt er met de eenzame plaatsen en verborgen eilanden waar een dwaas kan leven en dankbaar kan zijn voor zijn uitzonderlijk bestaan? Weldra zal de morgenruis van de zee overstemd worden door het gedreun van de snelweg. Ook in Dar es Salaam moet je uiterlijk om half zeven ’s morgens vertrekken om niet in de file te staan. Na wewe, Africe?

In de lucht klinkt het geluid van een laagvliegend vliegtuig. Echtgenoot kijkt op zijn horloge. Het is tien over tien.
– KLM is vroeg vandaag, merkt hij op.

Misschien komt deze avond nooit meer terug. De stilte, de duisternis, de natuurgeluiden. Dat je van elk overkomend vliegtuig weet van welke maatschappij het is en of hij op schema ligt. Het goede leven in Afrika – hoe lang nog?


Het leven is van een ongekende innigheid

07|12|2012 08:37

Een lezer van deze blog stuurde me het volgende fragment.

Het leven is van een ongekende innigheid.

Ergens loopt een scheidslijn die ons verdeelt in burgers en avonturiers. Burgers zullen het geluk en de charme van dit bestaan nooit begrijpen. Zij missen het comfort van de steden, de ijsfabrieken, het electrische licht, scholen, doktoren en de bioscoop, waar men de romantiek van een verlaten eiland vanuit een diepe fauteuil en voor een avond aangenaam kan genieten.

Met de avonturiers valt te praten, zij begrijpen het genot van een tocht in een lekke prauw, de opwinding van een onverwacht schot en de schreeuw van een stervend dier, het ongemak van regens, bandjirrende rivieren en een lekkend dak. Want wiens leven licht is door de genade van het avontuur, voelt een heimwee in de steden en de bewoonde plaatsen en een lichte wrevel om het onglorieuze bestaan, beveiligd en zonder risico’s. Ze waren de verloren zonen, die uitzeilden en stierven en de koloniën zijn overzeese gewesten geworden en avonturiers worden er het liefst geweerd.

Gelukkig zijn hier en daar nog eenzame plaatsen en verborgen eilanden, waar een dwaas kan leven en danken voor de genade van zijn uitzonderlijk bestaan.

De passage komt uit Het laatste huis van de wereld van Beb Vuyk (1954). Beb Vuyk was een Nederlandse schrijfster, geboren in Rotterdam, die lange tijd op de Molukken woonde.
Jaren geleden, tijdens een reis door de Sahara, ontmoette ik een bioloog die zelf ook op de Molukken had gewoond. Steeds opnieuw begon hij tegen me over Beb Vuyk. Toen begreep ik niet waarom. Nu wel.


test